Verhalen uit Het Schrijflab | Het Schrijflab

WAT IDA NIET KON ZIEN

Vanuit een van de vier hoge ramen van de huiskamer boven haar vaders winkel keek Ida de verlichte Torenstraat in. Het was de zaterdag voor sinterklaas, halfvijf in de middag. Nog even en de straat lag er verlaten bij. Etalages leken spookhuizen en de feestelijke lichtjes, die sterren en hulstbladeren vormden aan de bogen van de straatverlichting bungelden donker en doelloos boven de straat.

Om vijf uur zou haar vader verwachtingsvol de kas opmaken. Hij kon in deze tijd van het jaar weleens naar boven komen met stapels bankbiljetten en een kassarol, waarop hij Ida’s moeder de hoogste bedragen aanwees en die daarna razendsnel optelde uit zijn hoofd.

Iets na vijf uur was ook de tijd waarop haar moeder moe gewinkeld thuis zou komen. Ida en haar vader luisterden dan naar de kleine tragedies van de stad en haar inwoners. Een concurrent had zich gevestigd en mevrouw Deuze was eindelijk gestorven.

Om kwart voor vijf was Ida nog steeds alleen in de kamer. De feestelijke straat en de jachtige mensen met kleurige pakjes onder de arm riepen het probleem op waarmee ze al twee weken rondliep. Ida geloofde niet meer in sinterklaas. Ze had geen verlanglijstje bedacht al had ze één grote wens: de stoommachine, die ze in de etalage van de speelgoedwinkel had gezien en waarvan ze de gebruiksaanwijzing op de doos met moeite had kunnen lezen. Er werd een waarschuwing vermeld, die duidelijk maakte dat dit speelgoed niet geschikt was voor jonge kinderen. Er was kokend heet water nodig, er zou

stoom zijn, geluid, beweging. Maar vragen om dit verleidelijke jongensspeelgoed durfde ze niet.

En daarom was Ida nu al twee weken bang, dat het grote pak dat zij had ontdekt in de kast op de logeerkamer, een pop zou zijn. Een pop krijgen zou haar hele sinterklaasfeest bederven. Ze stelde zich de lelijkste voor: groot en met popperige kleren. Ze was nu al boos op haar vader en moeder, die kennelijk niet hadden begrepen dat ze niet van poppen hield. Zelfs niet toen ze moesten aanzien hoe hun dochter vorig jaar een prachtig exemplaar, gekregen van haar tante, met een verontwaardigde zwaai op het vervuilde dak van het schuurtje had gegooid.

Ida’s vader was nog niet naar boven gekomen en haar moeders

stem had nog niet door het huis geschald, zodat het beeld van

het pakje dat ze onder in de kast had zien liggen, haar naar de logeerkamer trok. Het was een kast waarin Ida uit verveling soms keek. Hij rook naar oude spullen, naar medicijnen, menthol en stof en ze fantaseerde weleens, dat ze daar een geheim ontdekte. Iets

vies, iets smerigs. Toch lagen er de gewoonste dingen in. Stapels handdoeken, lakens en slopen. Interessanter waren de stapeltjes hemden en onderbroeken van haar ouders. Ida had de hemden van haar moeder wel eens uitgevouwen en zich verbaasd over de randjes en kantjes die te voorschijn kwamen. Een keer wilde ze zo’n hemd in haar zak steken. Meenemen. Maar ze deed het niet. Net zulke wufte versieringen ontdekte ze op zakdoekjes, die haar moeder bewaarde in een houten kistje dat uit Indië kwam. Op de onderste planken stonden dozen, waarin haar moeder brieven bewaarde. Ida had ze er laatst uitgenomen en gezien dat het hoofdzakelijk rouwadvertenties en rouwbrieven waren. Van de dikgedrukte namen van de overledenen kende zij er niet een.

Van de rommelige doosjes met kapotte sieraden en kistjes met manchetknopen en dasspelden op de laagste planken belandde Ida op de onderste plank, waar het grote pak lag, gewikkeld in vrolijk sinterklaaspapier met haar naam erop in het forse handschrift van haar moeder. Het pak had de grootte van een schoenendoos en daarin paste precies een afzichtelijke pop, meende ze. Er zou een cellofaan kijkraam zijn uitgesneden, waarin de roerloze pop lag met de armen stijf langs het lijf, hemelsblauwe ogen en een roze jurk met wijde rok. Misschien had ze een zuigflesje in haar hand of een mutsje met kant op het hoofd.

Afgrijzen, woede en teleurstelling stegen naar haar keel. Ze woog de doos in haar handen. Hoe zwaar woog een pop, hoe zwaar een speelgoed-stoommachine? Ze rammelde met de doos, ze rook eraan en keek of ze het papier zo kon verwijderen dat het onopgemerkt bleef.

Ida zat nog steeds op haar knieën, nu met de handen in de schoot en ze voelde zich alsof ze zo kon gaan huilen.

De slaapkamerdeur ging open. Eén stap naar binnen stond

Ida’s oudere broer Jean. Hij liet zijn ogen gaan over de dozen, de uitgevouwen hemden en broeken, de enveloppen met rouwrand en de doos met sinterklaaspapier die vrolijk afstak bij de vergeelde, oude spullen.

‘Ik wist het,’ zei hij, ‘dat je dit ging doen.’ Hij sloeg de armen over elkaar, hield het hoofd scheef, sloeg het ene been elegant over het andere en plantte de neus van de schoen op de grond.

‘Pak maar uit, nieuwsgierig aagje.’

Ida kon niets anders bedenken dan aan het plakband te peuteren. Uit de doos kwamen krantenproppen tevoorschijn en verder niets. Jean deed zijn armen voor zijn borst ongeduldig op en neer en hij floot tussen zijn tanden. Tikte nog eens met de neus van zijn schoen op de grond.

‘Je hebt mama’s handschrift nagedaan,’ zei Ida.

‘Tuurlijk. En wat nu.’

Ida pakte de kast in zoals ze die had aangetroffen. Traag deed ze

het deksel op de doos die ervoor had gezorgd dat ze hier nu zat met hangend hoofd en niet zeker wist of het mogelijk was doodleuk langs haar broer de kamer te verlaten.

‘Je kunt mijn rug kriebelen. Dan is het vergeven en vergeten.’ Hij draaide zijn hak heen en weer.

De rug kriebelen. Dat gebeurde weleens op zondagmorgens als hun ouders wilden uitslapen en Ida en Jean de tijd moesten doden.

Haar broer liep al naar het bed. Ging op zijn buik liggen, hoofd opzij.

Ida kriebelde. Ze vond het lang duren en verveelde zich. Donkerte school in de hoeken van de stille kamer. Ida keek naar buiten. Een eentonig landschap van daken, vaal en grijs. Er viel al diepe schaduw tussen de muren van de dicht op elkaar staande huizen. Als enig levend wezen een duif op de nok van een dak die eindeloos lang

om zich heen pikte. In de dichtstbijzijnde goot groeide stakerig

gras in het slib dat zich voor de afvoer had opgehoopt. Bij de buren klepperde het deksel van een vuilnisbak, een kat werd weggejaagd en ver weg werd een voetbal steeds maar tegen een muur geschopt.

Johns rug was glad en bleek. Een wit bord, een zacht schoolbord. ‘Zo goed?’ zei ze hoopvol.

‘Nog niet. Nu moet je namen op mijn rug schrijven en als ik vijf goed heb geraden is het klaar.’

Ook dat kende Ida. Het werden er altijd meer dan vijf.

De tijd draalde. Ida keek naar de foto van de jonggestorven broer van haar moeder. Die leek volgens haar op Jean. Dezelfde fijne trekken, had ze gezegd. Ze keek naar de foto van Jean toen hij vier was. Wat is het toch een schattig kind, zei haar moeder vaak. En knap, voegde haar vader er dan aan toe.

‘Ik kan ze niet raden als je op mijn hemd schrijft; het moet op mijn blote rug.’

Ida bedacht een korte naam en nog een en daarna de naam van de leukste jongen uit de klas.

‘Je schrijft onduidelijk,’ zei haar broer. ‘En slordig. Zo gaat het lang duren.’

In de stille kamer drongen de geluiden door van hun vader die de winkeldeur afsloot en kasten dichtdeed en tegelijkertijd rende hun moeder de trap op met haar lichte tred. Ze praatte al en haalde lawaaierig spullen uit haar tas.

Ida ging op de rand van het bed zitten met twee handen tussen haar knieën. Jean rolde zich op zijn rug. Hij veegde wat spuug weg dat rond zijn mond en op zijn wang zat.

‘Ik zal mijn mond houden,’ zei hij, terwijl hij de handen behaaglijk achter het hoofd vouwde.

‘En jij doet dat natuurlijk ook, hè kleine zus.’

Betty Bollmann

Dit verhaal verscheen in de bundel Verhalen uit Het Schrijflab 2019, te bestellen bij Uitgeverij Shinz, prijs € 9,95 : http://www.shinz.nl/bestellen