Verhalen uit Het Schrijflab | Het Schrijflab

GOED UITGERUST

Wat was Kroatië toch mooi. Met Irene, onze twee dochters en onze zoon, was ik neergestreken op een terras in een dal met uitzicht op de bergen. Er kon ons niets meer gebeuren. We hadden de rit met ons caravannetje over een gammele houten brug overleefd. Niet alleen kraakte de brug bij het eroverheen rijden, ook de afgrond eronder was dieper dan we aanvankelijk dachten. Opgelucht zonder schrammetje een restaurant te hebben gevonden gingen we aan een tafel zitten. Nu wilden we niets liever dan even uitrusten en iets eten en drinken.

Na een half uur op het terras was er in de verste verte nog geen ober te zien. Naast ons zat een familie met hetzelfde probleem. Ze spraken Kroatisch en keken beteuterd. We verstonden er geen woord van. Maar goed, onze kinderen kletsten honderduit over de krakende brug. Supercool vonden ze het allemaal.

Eindelijk na drie kwartier kwam er een vrouw met grote stappen op ons toelopen. Ze had zowaar een blocnote bij zich. ‘Was wollt ihr?’ snauwde ze in het Duits. Haar ogen waren rood, alsof ze had gehuild. ‘We zouden graag een hapje eten, mevrouw,’ zei ik in mijn beste Duits. ‘Was?’ zei ze luid. ‘Sag es mir.’ Onze kinderen trokken grimassen van de lach om de lompe behandeling. Ik bleef rustig

en wees het eten op de kaart aan. Voor de kinderen worstjes met appelmoes en voor ons vis, groente en gebakken aardappelen. Nors keerde ze om en sjokte naar binnen. ‘Wat een mens,’ zei onze jongste zoon. Hij gooide een paar mueslirepen op tafel en zette er wat blikjes cola bij, die hij uit de caravan had gehaald. Zo hadden we tenminste iets.

Na anderhalf uur was ons eten er nog niet. Er was geen ander restaurant in de buurt voor zover we wisten. Onderweg waren we niets tegengekomen. Er zat weinig anders op dan te wachten. We gingen maar kaarten. De bergen rondom ons waren prachtig. Je rook de bloesem van de bomen die volop in bloei stonden, het sublieme vakantiegevoel. Mijn dochter kwam terug van de wc en zei: ‘Ze hebben ruzie. Ik denk dat de kok haar man is. Die vrouw stond kwaad op haar horloge te wijzen. Zeker omdat we geen eten hebben natuurlijk. Ze waren aan ’t schelden, niet normaal meer, joh!’

Even later zagen we de kok naar buiten zwalken. Ik stak onmiddellijk mijn hand op. Hij kwam op ons toelopen, vergezeld van een enorme bierwalm. ‘We wachten al ruim twee uur op ons eten,’ zei ik. Hij gooide zijn armen in de lucht en liep weer naar binnen. Ik had het niet meer en begon hard te lachen. Het leek wel een klucht. Ook onze Kroatische buren op het terras hadden nog steeds geen eten.

Na drie uur wachten kwam eindelijk de maaltijd. Erg vonden we het niet. We hadden ons vermaakt en waren goed uitgerust. We kregen iets totaal anders tot onze verbazing. Het was niet bepaald wat we verwacht hadden, maar alla we hadden honger en wilden verder niet moeilijk doen. Als hongerige wolven vielen we aan. Was dit nou Kroatisch eten? Het smaakte heerlijk. Ik had mijn bord ongeveer leeggegeten en keek met één oog naar het gezin naast ons. Ze kregen nu ook hun bestelling. Het eten kwam me bekend voor: worstjes met appelmoes, groente, vis en gebakken aardappelen.

Tel Liane

Dit verhaal verscheen in de bundel Verhalen uit Het Schrijflab 2019, te bestellen bij Uitgeverij Shinz, prijs € 9,95 : http://www.shinz.nl/bestellen