Verhalen uit Het Schrijflab | Het Schrijflab

MEESTER STRATS

Hendrik was als de dood te laat op school te komen bij meester Strats, de onderwijzer van de tweede klas. Iedere ochtend om halfnegen tuurde de meester in zijn vaalbruine stofjas over de rand van zijn bril de klas in, speurend naar een jongen die niet netjes in de schoolbank zat; de borst vooruit, de armen gekruist, het hoofd achterin de nek. Hendrik deed extra zijn best en spande zijn lijf rond als een boog, in angstige vrees voor de afkeuring van de meester.

Als meester Strats boos was, schalde zijn stem hoog door de klas. Maar als alle vijfenveertig jongens gedwee naar zijn lessen luisterden, had de meester een lage stem. Ze wisten echter nooit wanneer hij boos werd, het liefst hield Hendrik dan beide oren dicht, maar hij durfde het niet.

In de klas stond een groot aquarium vol vissen en waterplanten. Meester Strats beschouwde het aquarium als een werkobject. Jongens, die hij persoonlijk aanwees, mochten de vissen voeren, met een theelepel wat poeder uit een potje halen en in het aquarium strooien.

Hendrik vond het grappig om te zien hoe de vissen meteen naar het voer zwommen en toehapten.

De jongens die het aquarium schoonmaakten kregen een hoog cijfer voor gedrag op hun rapport. De schoonmaak was een

flinke klus. Alle vissen moesten voorzichtig met een net uit het hoge aquarium worden geschept en zwommen gedurende de werkzaamheden zolang rond in een emmer water. De jongens schepten met opgestroopte mouwen zoveel mogelijk het vuile water uit het aquarium, het water klotste tot aan hun oksels.

Met kletsnatte mouwen bewogen ze een schraper op en neer over de groen uitgeslagen wanden, net zolang tot meester Strats het sein gaf dat het zo genoeg was en er schoon water in moest. Dan liepen de jongens de klas uit met emmers, die ze bij de kraan in de gang vol lieten lopen, met veel gespetter door het klaslokaal sjouwden en in het aquarium leeggooiden.

Meester Strats gaf ondertussen les, maar volgde de handelingen van de jongens nauwgezet vanuit zijn ooghoeken. Voor de klasgenoten was het heen en weer gedraaf en het vullen van het aquarium door de jongens een welkome afleiding. In spanning keken ze toe of het water over de rand zou gutsen.

‘Meester, mogen de vissen er weer in?’ was het startsein voor een deinende beweging in de klas. Alle jongens stonden op om te zien hoe de vissen weer teruggegooid werden in het aquarium. En terwijl de hele klas meetelde ‘1, 2, 3, 4, 5...’ priemde de wijsvinger van de meester tegen het glas naar de rondzwemmende vissen. ‘42, 43, 44, 45! Zitten allemaal! We gaan weer verder met de les!’

Het kwam weleens voor dat een vis het avontuur niet overleefde en naar de bodem was gezakt. ‘44, er zijn er maar 44!’ schalde zijn hoge stem door de klas. De behulpzame jongens met hun natte, stinkende mouwen renden dan geschrokken terug naar hun bank en wisten dat het de laatste keer was geweest dat ze het aquarium hadden mogen schoonmaken.

Meester Strats blies ze een rookwolk achterna van zijn zoveelste sigaret.

Hendrik keek altijd gefascineerd toe hoe meester Strats een sigaret opstak. Eerst haalde hij een etui uit de zak van zijn stofjas, opende het en nam een sigaret uit het opengeklapte etui. In iedere klep

was plaats voor tien sigaretten, samengehouden met een elastieken bandje. Dan vormde hij met zijn lippen een tuitje en stak daar de sigaret in. Vervolgens draaide hij de sigaret enkele keren in het

tuitje rond, haalde hem eruit, stopte hem er voor de tweede keer in en draaide de sigaret weer rond. Terwijl hij hem in zijn mond liet hangen, haalde hij uit de binnenzak van de stofjas een doosje lucifers en streek er een af. De geur kringelde in de neus van Hendrik.

Hij dacht dan aan zijn klappertjespistool, hoe hij, tataratatatata, schietend op een vijandige indiaan door de weilanden van de Beemd sloop.

Meester Strats had de gewoonte met een sigaret in de hand langs de lesbankjes te lopen en de rook uit te blazen over de jongens. Na enkele sigaretten was de lucht in het klaslokaal om te snijden, de ramen bleven potdicht. Hendrik snakte naar frisse lucht en was

blij als het speelkwartier begon en hij buiten kon spelen met zijn vriendjes op het schoolplein, zon of geen zon, weg uit de benauwde klas van meester Strats.

Op een dag, het was bijna speelkwartier, beval de hoge stem:

‘Ingerukt mars, naar het schoolplein!

De jongens keken elkaar aan, maar waagden het niet tegen te

sputteren en liepen achter hem naar buiten.

‘Opstellen in rijen van zes, linkervoet voor! ... 1, 2, 3, 4, lopen

maar!’

In de maat liepen de jongens, geflankeerd door de vaalbruine

stofjas, over het schoolplein heen en weer, tot het hek aan de Pastoriestraat en weer terug. Ze marcheerden tussen de kinderen uit andere klassen door, die hun spel in de steek lieten.

‘1, 2, 3, 4, 1, 2, 3, 4,’ schalde de hoge stem.

‘Is meester Strats boos?’ vroeg Hendrik aan zijn klasgenoot Cees, die haalde zijn schouders op.

Voortaan liet meester Strats de klas midden in een lesuur opstaan en dirigeerde hij de jongens weer naar het schoolplein. Zijn hoge stem schalde: ‘Opstellen in rijen van 6, 1,2,3,4, linkervoet naar voren, lopen maar! Meezingen!’

De jongens keken elkaar met steelse blikken aan. Aarzelend zongen ze met de meester mee: ‘Wij, jongens van de tweede klas, wij lopen vrolijk in de pas.’

Na enkele keren oefenen liepen ze in marstempo zingend over het schoolplein, meester Strats op kop. Hendrik voelde zich heel klein voor het oog van de jongens van de vierde, vijfde en zesde, die door de ramen van de klas de strafexercitie voorbij zagen marcheren.

Op een maandagochtend schrok Hendrik weer op van de hoge stem. ‘Hendrik! In de hoek en knielen!’ Zich van geen kwaad bewust volgde hij de priemende vinger naar de hoek van het klaslokaal en knielde bij een blinde muur, zijn rug naar de klas. Meester Strats vervolgde zijn les, Hendrik hoorde de stemmen achter zich. Allerlei gedachten tolden door zijn hoofd: Wat had hij verkeerd gedaan? Lachten zijn klasgenoten hem uit? Hij voelde hun ogen in zijn rug prikken. Vanochtend hadden ze met z’n allen stuiters tegen de stoepranden geketst, hij had er weer een paar gewonnen en was trots op de flinke zak vol met gekleurde stuiters in zijn lessenaar. Een ronde was wel tien kleine waard en daar had hij er de meeste van. De opkomende pijn in zijn knieën probeerde hij te ontwijken door van de ene knie op de andere te balanceren. Af en toe verloor hij bijna zijn evenwicht en leunde dan even met een hand tegen de blinde muur. Wanneer mag ik weg uit de hoek, vroeg hij zich af.

Maar de hoge stem beval: ‘Ga staan!’

Hij mocht dus nog niet weg! Teleurgesteld zuchtte hij diep en ging rechtop staan. Zijn knieën deden pijn en voelden beurs aan, hij wreef er met zijn handen over.

Hendrik staarde naar de blinde muur en voelde de boosheid door zijn lijf naar boven kruipen.

‘Ga zitten!’ klonken eindelijk de verlossende woorden. Hendrik liep terug naar zijn bank en de les ging door alsof er niets gebeurd was.

Om vier uur ging de schoolbel. Hendrik rende meteen de klas uit. Meester Strats kwam achter hem aan, greep hem vast bij de kraag van zijn blouse en trok hem terug de klas in.

‘Nablijven!’

‘De school is toch uit, meester Strats, ik heb niets gedaan.’ Hij had het eruit geflapt.

‘Je blijft in de hoek staan tot halfvijf, anders zwaait er wat.’

De meester sloot zijn aktetas en liep ermee naar buiten. Staande in de hoek vroeg Hendrik zich af wat hij daar deed, helemaal alleen in de lege klas.

Na enkele minuten van twijfel hakte hij de knoop door, de

meester was toch ook naar huis, en liep het klaslokaal uit. Alle schoolvriendjes waren al weg. Tegen de bal schoppend liep hij alleen naar huis.

De volgende dag stond meester Strats hem op te wachten: ‘Staan! In de hoek!’

De stem snerpte door Hendriks hoofd. Weer liep hij naar de hoek en voelde zijn lip trillen.

Net voor het speelkwartier beval meester Strats: ‘Ga zitten.’ Eindelijk, de straf is voorbij, opgelucht liep hij naar het schoolplein. ‘Goh, Hendrik,’ zei Cees, ‘meester Strats heeft zeker de pik op jou.’ ‘Ik vind het een nare man,’ zei Hendrik.

Toen om vier uur de schoolbel ging, stond hij meteen naast de schoolbank. Hij wilde naar huis, met zijn vriendjes tegen de voetbal trappen.

‘Blijven zitten!’ snerpte de hoge stem.

Hendrik voelde zijn hoofd duizelig worden, zijn benen voelden aan alsof er watten in zaten.

Meester Strats legde een stapel blanco vellen papier op zijn lessenaar:

‘Strafwerk! De tafels van tien maak je tien keer.’

Waarom? Vroeg Hendrik zich af. Ik heb toch al straf gehad? Maar hij zei niets.

Meester Strats ging aan zijn bureau zitten schrijven.

Hendrik zat in zijn schoolbank, vastbesloten die tafeltjes er snel doorheen te jagen. Hij pakte zijn kroontjespen in de rechterhand en doopte hem in de inktpot in de lessenaar, klemde de pen tussen twee vingers en begon te schrijven. De eerste tafel van 10: 1 x 1 = 1, 1 x 2 = 2, 1 x 3 = 3, iedere keer doopte hij zijn pen voorzichtig in de inkt. Voordat hij de pen op het papier zette, keek hij of er niet te veel inkt aan de punt hing. Er mocht geen losse inktdruppel op het witte vel vallen. Zorgvuldig streek hij de pen langs de rand van de inktpot, zodat er geen druppels aan bleven hangen en er toch voldoende inkt aan bleef om te schrijven.

Ook wist hij dat als hij de bocht niet goed nam in een letter, de inkt zou spetteren op het papier. De inktlap lag klaar om de pen in schoon te maken. De inkt mocht niet opdrogen. Hij wilde de pen zo lang mogelijk goudglanzend houden. Hij zag de boze ogen van meester Strats al voor zich als er vlekken op het strafwerk zaten en vreesde de snerpende stem: een inktvlek! Alles overnieuw!

In de eerste klas had hij geleerd met zijn rechterhand te schrijven. Frater Erminus zei bij de eerste schrijfles: ‘Jullie nemen de pen in de rechterhand.’ Hoewel hij linkshandig was, gehoorzaamde Hendrik hem meteen.

Hij was er nu trots op dat hij rechts had leren schrijven, vooral als hij bij linkshandige jongens zag dat ze met hun linkerarm een grote boog moesten maken om op het vel papier te schrijven.

In de tweede klas bij meester Strats maakte hij zelfs al mooie, getekende hoofdletters en de tafeltjes van tien schreef hij achter elkaar op.

Maar bij het strafwerk schrijven omklemde hij de pen steeds vaster en kreeg hij pijn aan zijn vingers. Ondertussen maalde het in zijn hoofd rond dat Meester Strats hem strafte, terwijl hij niets verkeerd had gedaan. Straks moest hij zonder vriendjes naar huis lopen,

maar voor de woorden van zijn moeder was hij bang. Als hij te laat thuiskwam, zou ze boos op hem zijn.

De eerste tafel van tien was bijna klaar, toen hij vanonder zijn oogharen zag dat meester Strats de klas uitging. Hij had nog negen tafeltjes te gaan.

Het werd schemerig in de doodstille klas. Hendrik maakte zijn kroontjespen schoon met de inktlap, legde hem in de richel van de lessenaar, pakte de papieren voor het strafwerk op en ging naar huis. Het strafwerk zou hij aan zijn moeder laten zien en haar vertellen dat hij niets verkeerds had gedaan.

Het werd al donker bij zijn thuiskomst.

‘Waarom ben je zo laat, Hendrik?’ vroeg zijn moeder, terwijl hij de keuken binnenkwam. ‘Ik maakte me ongerust.’

‘Ik moest nablijven van meester Strats.’

‘Waarom moest je nablijven?’

‘Dat weet ik niet, maar ik moest strafwerk maken.’

‘Wat voor strafwerk?’

‘Tien keer de tafeltjes van tien.’

‘Maar waarom heb je strafwerk gekregen?’

‘Dat weet ik niet, mama.’

‘Hoe kan dat nou, de meester geeft je toch niet zomaar strafwerk?’ Hoe kon hij zijn moeder uitleggen dat hij gestraft werd, maar niet

wist waarom?

‘Echt waar, mama, ik heb niets verkeerds gedaan! Ik heb strafwerk

en dat moet ik morgen inleveren.’

Hendrik vertelde er niet bij dat hij al twee dagen in de hoek had

moeten staan, ook niet dat hij uit de klas was weggelopen, terwijl hij moest nablijven.

‘Je vader komt zo thuis, dan zal ik met hem praten, ga nu maar gauw de tafeltjes maken.’

Hendrik legde de vellen papier op de keukentafel, haalde de kroontjespen en inktpot van zijn vader uit de kast en begon te schrijven. Hij was bij de tafel van zes van de tweede serie, op het moment dat zijn vader binnenkwam.

‘Zo, Hendrik, wat hoor ik van je moeder, heb je strafwerk?’

‘Ja, papa, de tafeltjes van tien, die moet ik tien keer opschrijven van meester Strats.’

‘Waarom wil de meester dat jij zoveel tafels opschrijft?’ ‘Omdat het strafwerk is.’

‘Maar waarom?’

‘Dat weet ik niet!’ Bijna wanhopig kwam het eruit.

‘Als meester Strats strafwerk geeft dan zal je het wel verdiend hebben!’

‘Ik heb niets verkeerd gedaan, papa!’

‘Van mij krijg je vijf keer de tafels van tien erbij.’

Hendrik schrok, ook straf van zijn vader, hoe kon dat nou? Twee

grote mannen waren boos op hem en gaven hem straf. Hij snapte er niets van, maar herstelde zich snel.

‘Maar ik heb niet genoeg papier voor extra tafeltjes, papa!’ Zwijgend legde zijn vader een blocnote op tafel.

Die avond schreef Hendrik zijn vingers blauw aan vijftien vellen

vol tafeltjes van tien en bad tot Onze-Lieve-Heer dat het strafwerk op tijd af zou zijn, het liefst zou hij het morgen, al voor de lesdag begon, op het bureau van de meester leggen. Hij schaamde zich voor zijn klasgenoten.

Woensdagochtend zat meester Strats al achter zijn bureau. Hendrik, met zijn stapel papier, stapte de klas binnen. ‘Meester Strats, hier zijn de tien tafeltjes van tien en nog vijf erbij van mijn vader.’

De man in de vaalbruine stofjas keek niet op of om: ‘In de hoek, op je knieën! Nablijven om vier uur!’

Is meester Strats nog steeds kwaad? Hij kijkt niet eens naar het strafwerk, ook niet naar dat van mijn vader. Hoe lang moet ik hier blijven knielen? Moet ik straks weer alleen naar huis? Worden mijn ouders weer boos? Hendriks angstige gedachten ketsten af tegen de blinde muur in de hoek.

De schoolbel van vier uur was het verlossende teken voor de klasgenoten, niet voor Hendrik.

Hij bleef gehoorzaam in zijn schoolbank zitten.

Meester Strats kwam naar hem toe met een stapel papier: ‘Tien

keer de tafels van tien en tot halfvijf blijven.’

Geschrokken begon Hendrik onmiddellijk aan het eerste tafeltje: 1

x 10 = 10. Maar nadat meester Strats was vertrokken en de schemer viel in de lege klas, kon hij wel huilen. Zijn vriendjes speelden buiten met elkaar en hij zat hier helemaal alleen te schrijven. Ook was hij bang; zouden zijn ouders weer boos zijn als hij straks te laat thuiskwam? Als in een waas pakte hij het strafwerk op en liep weg.

Thuis wachtte een boze moeder hem op: ‘Hendrik, wat is dat toch met jou, je bent alweer te laat thuis.’

‘Dat moest van meester Strats, mama!’ Hij moest bijna huilen maar slikte de tranen in.

‘Ik zie dat je papier bij je hebt. Is dat weer strafwerk?

Snikkend kwam het eruit: ‘Ja, mama, ik moet weer tien tafeltjes van tien maken.’

De moeder lette niet op het verdriet van haar zoon. ‘Wacht maar tot je vader dit hoort!’

Hendrik haalde weer de kroontjespen met de inktpot van zijn vader uit de kast en begon zo snel als hij kon te schrijven. Hij

was ongeveer op de helft, toen zijn vader op de fiets langs het keukenraam passeerde. Alles beefde in hem, hij legde zijn pen neer, omdat zijn hand zo trilde.

‘Zo, Hendrik, ik zie dat je aan het schrijven bent? Waarom speel jij niet buiten?’

‘Ik schrijf weer tafeltjes, het moet van meester Strats, papa!’ Het klonk als een noodkreet.

‘Dan krijg je er van mij weer vijf tafels van tien bij!’ Zijn vader zei het alsof het een spel was zoals ‘Mens erger je niet’, dat ze op zaterdagavond met het gezin speelden. Maar dit was straf. Straf die hij niet verdiend had.

Donderdagochtend nam meester Strats zwijgend de vijftien volgeschreven vellen in ontvangst en ging Hendrik hoopvol in zijn bank zitten. Nu zou alle straf voorbij zijn, mijmerde hij.

Na het speelkwartier stommelden Hendrik en zijn vriendjes rumoerig de klas binnen.

‘Hendrik, nu! Staan, in de hoek! En vanavond nablijven!’ De hoge

stem klonk overal bovenuit en ging hem door merg en been. Starend naar de witte muur hoorde hij niets van de de geluiden uit

de klas. Het schoolplein met rond hippende vogels, de bontgekleurde vissen in het aquarium, de vriendjes en klasgenoten, zelfs de vaalbruine stofjas, het ging allemaal aan hem voorbij. Hij wachtte op het verlossende bevel: ’Ga zitten!’

Om vier uur liep de klas leeg en bleef Hendrik achter in de schoolbank.

Meester Strats beval: ‘Honderd keer opschrijven!’ Hij legde een stapel vellen voor hem neer.

Op het eerste vel stond in koeienletters geschreven: IK MOET BETER MIJN BEST DOEN.

Hendrik doopte de kroontjespen keer op keer sneller in de inktpot, hij gaf er niets meer om of er een inktmop op het papier zou vallen, het enige wat hij wilde was dat meester Strats en zijn ouders niet meer boos op hem waren.

Honderd regels heb ik eerder klaar dan honderd tafeltjes van tien, bedacht hij vol goede moed. Snel schreef hij het eerste blad vol met vijfentwintig regels, schreef nog drie vellen vol en maakte zo zijn strafwerk helemaal af, zonder inktvlekken. De vier bladen liet hij achter op het bureau van meester Strats, hij wist zeker dat er geen straf meer zou komen.

Op tijd thuis zijn was echter weer mislukt.

Onder de boze blikken van zijn ouders kromp hij in elkaar. ‘Hendrik, Onmiddellijk naar je kamer!’ Met hangend hoofd liep hij de trap op.

‘Heb je weer straf gehad van meester Strats?’ riep zijn moeder hem achterna.

Hij keerde zich om op de traptrede: ‘Ik moest honderd regeltjes schrijven.’

‘Waar zijn die dan?’

‘Dat heb ik op school gemaakt.’

‘Dan krijg je er van mij weer de helft bij!’ Het was zijn vaders boze stem: ‘Ik wil je pas beneden zien als het klaar is!’

Hendrik nam zijn vaders blocnote, inktpot en kroontjespen mee

naar boven, klemde de pen tussen zijn vingers en luisterde naar de geluiden van de buurkinderen die buiten speelden. Vanuit het raam zag hij de kinderen touwtjespringen, stuiters ketsen, bokspringen. Al vier dagen mocht hij niet meespelen, een straf die groter was dan alle tafeltjes en regeltjes bij elkaar.

Hendrik doopte de pen in de inktpot en schreef vijftigmaal: ik moet beter mijn best doen.

Hij deed altijd zijn best, maar dat hielp niet bij meester Strats en ook niet bij zijn ouders. Wel bij de kapelaan en de zusters Juliaantjes, die gaven hem complimenten en nu mocht hij zelfs misdienaar zijn in de Petruskerk.

Toen hij naar beneden liep om de twee beschreven vellen aan zijn vader te laten zien, was het buiten al donker. De hoop op buitenspelen met de vriendjes in de buurt vervloog. Wat was hij graag even naar

de salamanders met hun oranje buikjes gegaan, zouden ze nog steeds rondkruipen in de struiken langs het water?

’Alstublieft, papa!’

Zijn vaders blik ging over de vijftig geschreven regels. ‘In orde,’ bromde Hendriks vader.

Hij zuchtte van opluchting, eindelijk was de straf voorbij.

‘Morgen ga je naar meester Strats en geef je hem mijn extra regels.’ Hendrik schrok.

‘Ja, papa,’ zei hij met neergeslagen ogen, zijn vader mocht niet zien

dat er tranen kwamen.

Vrijdagochtend stond Hendrik aarzelend voor de klasdeur. Meester Strats zat al aan zijn bureau. Wat voor straf stond hem te wachten als hij het strafwerk van zijn vader aan de meester gaf? Misschien kon hij het beter niet geven. Maar als zijn vader dat te weten kwam. Het duizelde weer in zijn hoofd, de papieren trilden in zijn hand.

Zijn klasgenoten liepen hem vrolijk groetend voorbij: ‘Ha, Hendrik.’

Langzaam naar binnen lopend zocht Hendrik de blik van meester Strats en legde zonder iets te zeggen zijn vaders strafwerk bij hem op het bureau.

De vaalbruine stofjas riep zonder op te kijken: ‘Knielen in de hoek!’

Na een half uur klonk het bevel: ’Staan!’ Over zijn knieën wrijvend in een poging de pijn te verdrijven, stond hij op.

Tijdens het speelkwartier was het weer net of er niets aan de hand was en kwam er hoop dat alle straf voorbij was.

Maar om vier uur klonk het bevel: ‘Nablijven.’

Komt dat door de straf van mijn vader, vroeg Hendrik zich af. Daar kwam meester Strats al aan met vier vellen papier: ‘Honderd strafregels schrijven!’

Hendrik leefde in een vicieuze cirkel. Hij schreef de honderd regels zo snel mogelijk en verliet de school pas, nadat hij de vier beschreven vellen op het bureau van meester Strats had gelegd. Alleen haastte hij zich naar huis. Daar wachtte een boze moeder: ‘Je bent weer te laat, ik zeg het tegen je vader!’

Die gaf hem vijftig extra strafregels. ‘Je mag pas naar buiten als ze af zijn.’

Toen ze eindelijk af waren, zei hij: ‘Je mag nu niet meer naar buiten, het is al donker.’

Om sneller te kunnen schrijven probeerde Hendrik een trucje uit, hij bond drie potloden met een elastiekje vast, klemde tussen drie vingers een potlood en probeerde zo drie regels tegelijk op papier te zetten. De eerste regels ging dat goed en kreeg hij hoop dat hij snel klaar zou zijn. Maar de potloden gingen wijder uit elkaar staan en het werden schuin aflopende regels en onduidelijke woorden. Tot zijn teleurstelling kostte dit nog meer tijd dan schrijven met de kroontjespen.

Hoe Hendrik ook zijn best deed om de meester en zijn ouders

te gehoorzamen, het bleef hetzelfde liedje. Hij kon bijna niet meer schrijven van de pijn aan zijn vingers, die blauw waren van de inkt, vooral de middelvinger, waar zelfs een eeltknobbel op verscheen.

’s Avonds boven in zijn kamer keek hij verlangend naar buiten. De buurkinderen speelden met elkaar, wat miste hij zijn vriendjes. Dat zijn vriendjes hem ook misten kwam niet bij hem op.

Hij zat al drie weken gevangen in de eindeloze stroom strafwerk, toen hij vanuit zijn slaapkamerraam Doortje, zijn oudere buurmeisje van de overkant, het tuinpad zag oplopen.

Als het geen echte jongensspelletjes waren zoals pik, olie of dik, speelde Doortje mee in de straat. Hendrik was dol op dit spel, waarbij de jongens op en over elkaar buitelden.

Vaak sprongen ze over de ruggen van wel zeven ‘bokken’, die gebukt voorover stonden, van de achterste naar de voorste.

Hendrik was niet graag de bok, van dat gespring op zijn rug was hij het liefst snel verlost. Wisselen van bok naar springer lukte alleen als de leider, die helemaal vooraan tegen de muur stond en de eerste bok in zijn holle handen opving, raadde welke vinger de eerste springer achter zijn rug opstak: ‘Pik, olie of dik?’ De andere springers keken oplettend toe of er met de vinger niet werd gefoeteld, eigenlijk wilde niemand bok zijn.

Doortje deed vaak mee met het hinkelspel. Dan tekende ze met gekleurde krijtjes in strakke lijnen een hinkelbaan op de straat, met tien genummerde vakken. De vrienden namen het nooit zo nauw met het tekenen van de lijnen en ze waren het vaak oneens over de plek waar het blokje hout wel of niet over de lijn geschoven was en de vraag of je wel of niet ‘af ’ was.

In plaats van het houten blokje zette Doortje zwaarder geschut

in: een Erdal schoensmeerblikje, gevuld met zand. Hendrik had er

al eens nieuw zand in mogen doen. Hij vulde het blikje tot de rand

- hoe zwaarder het was, hoe beter hij ermee kon richten - en zette het deksel er weer op. Met het metalen vleugeltje aan de rand van de deksel draaide hij het blikje zo strak mogelijk dicht en wierp het laag over de grond door de hinkelbaan, het liefst naar het verste vak.

Touwtje springen vonden de jongens eigenlijk maar een meisjesspel. Maar als Doortje haar extra lange springtouw meebracht, sprongen ze wel met z’n zessen tegelijk in het touw en zongen ‘Erop en ertussen, ertussen en erop’, net zolang tot een van hen, per ongeluk expres, een voet verkeerd zette of verkeerd insprong en het touw verward raakte met de jongensschoenen.

Nieuwsgierig stond Hendrik op en opende zijn slaapkamerdeur.

Hij wilde het liefst de trap afrennen naar beneden maar hield zich net op tijd in. Op zijn tenen liep hij over de overloop naar de trap. Zich aan de leuning vastgrijpend boog hij over het trapgat en hoorde de stemmen van zijn moeder en Doortje in de keuken.

‘Dag, Doortje, wat is er aan de hand?’

‘Dag, mevrouw, ik zoek Hendrik, mag hij buiten komen spelen?’ Hendrik was op zijn achterste enkele treden naar beneden geschoven, hield zich muisstil.

‘Hendrik heeft straf.’

‘Hendrik straf? Waarvoor? Het is zo’n aardige jongen.’

‘Hij heeft straf van Meester Strats.’

‘Is Hendrik dan ziek geweest? Ik heb hem al zo lang niet meer

buiten gezien.’ Doortjes woorden klonken hem als muziek in de oren. ‘Hendrik is niet ziek, hij heeft straf van de meester.’

‘Mijn broer heeft ook bij meester Strats in de klas gezeten en die

kreeg ook vaak straf.’

‘Daar zal hij het dan wel naar gemaakt hebben,’ zei zijn moeder

kortaf.

‘Maar wat heeft Hendrik dan gedaan mevrouw?’ Hendrik spitste

zijn oren.

‘Dat weet ik niet. Maar zijn vader zegt dat hij het wel verdiend zal

hebben, daarom krijgt hij er van hem extra strafwerk bij.’

‘Het is altijd zo leuk om met z’n allen buiten te spelen, mag Hendrik

voor deze keer mee?’

Hendrik zat al over de helft van de traptreden naar beneden, zou zo

met Doortje mee naar buiten willen rennen.

‘Nee, hij heeft nog steeds straf, als zijn vader straks thuiskomt en het

strafwerk is niet af dan zwaait er wat. Dus ga nu maar.’

Hendrik stond langzaam op en liep tree voor tree naar boven, terug

naar zijn kamer.

Vanuit het raam zag hij Doortje naar de overkant lopen, ze ging

naar huis.

Het was al donker, toen hij zijn vader thuis hoorde komen. De bel ging. Hendrik wilde net naar beneden gaan om zijn strafwerk te laten zien. Hij rende naar het raam en keek naar beneden.

Zag hij het goed? De architect en zijn vrouw? Ja, het waren de ouders van Doortje. Wat kwamen die zo laat doen?

Hendrik sloop weer naar de overloop, hangend boven het trapgat

hoorde hij dat zijn moeder hen binnenliet en met hen naar de zitkamer liep, de kamer waar zijn vader altijd de dagrapporten maakte. Zijn vader sloot de schuifdeuren, dat deed hij altijd als er mensen kwamen praten over zedenzaken. Vanachter die deuren klonk soms gesnik. Hendrik kon niet verstaan wat ze zeiden, maar hoorde wel de stemmen van zijn vader en Doortjes moeder er bovenuit. Het leek wel of ze boos waren.

Hendrik borg zijn strafwerk op, morgen zou hij het weer meenemen naar Meester Strats.

De volgende dag, ’s middags, kwam hij weer te laat thuis, toch kreeg hij een kopje thee van zijn moeder. Onder haar schort had ze een jurk aan, die ze droeg als ze de stad inging.

‘Kom, even aan tafel zitten.’

Op zijn hoede keek Hendrik haar aan vanonder zijn oogharen. ‘Gisteren zijn de ouders van Doortje hier geweest.’

Ja, dat weet ik, wilde Hendrik zeggen maar hij beet op het puntje

van zijn tong.

‘Jan, die ken je wel, de broer van Doortje, kreeg heel veel strafwerk

van meester Strats.’

‘Net als ik?’ Hendrik kon zijn mond niet langer houden.

‘Ja, en ze wisten niet waarom.’

‘Ik weet het ook niet.’ Hij nam een slokje thee en keek haar over de

rand van het kopje aan.

‘De moeder van Jan is naar de school gegaan en heeft de directeur

gesproken.’

‘Dat is frater Acacius,’ zei Hendrik.

‘Ja ja, het zal wel,’ zei zijn moeder, ‘maar na haar bezoek kreeg Jan

geen straf meer. Ze zei dat meester Strats een rare was en dat het afgelopen moest zijn met die streken van hem.’

‘Ik wil ook geen straf meer, mama, net als Jan.’ Wat had hij die wens vaak in gedachten gehad maar nu sprak hij hem voor het eerst uit.

‘Misschien moest ik dat ook maar eens doen, dacht ik toen.’

Hendrik nam een slokje van zijn koud geworden thee. Praatte zijn moeder met zichzelf?

De volgende schooldag begon zoals altijd, op weg naar school met zijn vriendjes, voetballend, stuiters ketsend tegen de stoeprand. Maar op school gekomen, zonk de moed hem weer in de schoenen. Op de drempel aarzelde hij, voordat hij de klas binnenliep. Wat zou Meester Strats hem nu weer bevelen? In een wat gebogen houding, met neergeslagen ogen liep hij naar het bureau van de vaalbruine stofjas, legde het strafwerk van zijn vader erop neer en begaf zich naar zijn schoolbank, de oren gespitst op de hoge stem boven het rumoer uit van de klasgenoten.

Hij hoorde geen hoge stem, zelfs nadat hij al enkele minuten in de bank zat, kreeg hij geen enkel bevel. Meester Strats gaf gewoon les alsof er niets was gebeurd.

Lida Calis

Dit verhaal verscheen in de bundel Verhalen uit Het Schrijflab 2019, te bestellen bij Uitgeverij Shinz, prijs € 9,95 : http://www.shinz.nl/bestellen