Verhalen uit Het Schrijflab | Het Schrijflab

APRIL IN DECEMBER

Zij is te laat.

Bij het wakker worden had Jaap haar naast zich voorgesteld, in bed. Haar bruine huid, volle lippen, rok opgetrokken tot boven haar dijen, haar lange haren die zijn buik strelen, glanzende knieholtes, haar koele lichaam loom bewegend tegen zijn rug, een strakke buik boven een kanten slip, waarvan hij pas na enige tijd de kleur voor zich zag. Zijn hand gleed al onder de lakens, maar na enige aarzelende bewegingen duwde hij de lakens weg en stond hij op. Jaap hoopte op een mooie afsluiting van zijn verblijf hier, met haar, voordat hij die avond in het vliegtuig zou stappen.

Maar nu is hij niet zeker of hij haar nog een keer wil zien. Weer ziet hij die korte rok en het begin van haar borsten onder haar V-hals voor zich.

Net als hij besluit zijn vrouw te bellen gaat zijn telefoon. Abri zegt dat ze problemen had om een fietstaxi te krijgen en dat ze vastzit in het verkeer. Ze denkt nog vijftien minuten nodig te hebben. ‘Don’t worry Djap, I will see you,’ zegt ze met een hese lach. Dat zei ze een half uur geleden ook al, denkt Jaap. De hese stem doet hem weer fantaseren over haar lichaam en wat ze in bed kunnen doen. Hij merkt dat zijn lichaam nog steeds reageert op fantasieën, ook na de afgelopen drukke weken waarin er daarvoor geen tijd was.

Hij pakt een tonic uit de minibar. CNN heeft een reportage over de sneeuwstorm in grote delen van Amerika. Hij appt zijn vrouw dat hij goed wil uitrusten voor de terugvlucht van vanavond. Hij doet het gordijn dicht, tegen het schelle licht. Door de airco heen hoort hij de luid versterkte oproep uit de grote moskee naast zijn hotel.

Gisteravond was hij met zijn twee collega’s weer naar Kazbar ge- gaan, een eetcafé niet ver van hun hotel.

Het waren twee intensieve weken geweest, waarin ze dag en nacht met elkaar optrokken. Vaak moesten ze door het tijdsverschil met het hoofdkantoor in Apeldoorn ’s nachts nog contracten bespreken en afstemmen. Zijn collega’s Erwin en Glenn ergerden zich veel aan elkaar. Erwin was niet vaak zo lang en ver van huis geweest en gaf commentaar op alles wat anders was: het scherpe eten, contacten die zonder zich te verontschuldigen niet of te laat op de afspraak kwamen, het chaotische verkeer, de luchtvervuiling die als een regenwolk boven de stad hing. Glenn vond dat Erwin zich moest aanpassen en zich moest inhouden in de aanwezigheid van lokale mensen. Glenn ergerde zich nergens aan, hij nam al het nieuwe en vreemde veel laconieker op. ‘Jongen, gedraag je niet als de grote baas of de tuan besar hier. Die tijd is echt voorbij,’ zei hij vaak tegen Erwin. Erwin was net getrouwd en ging elke avond als eerste naar zijn kamer om twee uur lang de dag met zijn vrouw door te nemen. Hij stoorde zich aan Glenns verlekkerd omkijken naar elke vrouw die langskwam, en zijn opmerkingen over hen. Hij was in de loop van hun zakenreis allergisch geworden voor Glenns grap ‘a dirty mind is a joy forever’.

Ook deze ochtend had Glenn als eerste aan het ontbijt gezeten, hij had er al een sessie in de gym op zitten. Eén bonk spier en energie. ‘Nou, zo te zien heb jij de hele nacht met moeder de vrouw doorge- praat,’ zei hij toen Erwin aan tafel schoof, met een harde schaterlach erachteraan.

‘Glenn, even kop dicht alsjeblieft bij mijn ontbijt,’ zei Erwin. ‘Blij dat we morgen vertrekken. Dat warme kutklimaat hier en die mier- zoete koffie overal.’

Glenn haalde diep adem, maar Jaap gaf hem een trap tegen zijn voet. Hij hield het bij: ‘Ja, heerlijk straks weer overal ingeblikt nepsap in plaats van al dat verse tropisch fruitsap.’ Hij gaf een kleine por aan Erwin, die hem wegduwde met zijn schouder. Het was niet de eerste keer dat Jaap, delegatieleider en ouder dan de twee jonge honden, een opkomende irritatie in de kiem smoorde.

In Kazbar ging het over hun kerstplannen met hun families. Ze proostten op de goede afloop, waarmee ze hun twijfels wegspoel- den. Erwin verlangde naar de aangekondigde kou en aardappels, na twee weken in de klamme hitte en bijna alle dagen rijst. Als altijd stond hij als eerste op.

‘Deze jongen gaat zijn koffer pakken, het verslag van vandaag uit- werken en op tijd naar bed.’

‘Jij koopt bij aankomst op Schiphol zeker meteen een HE- MA-worst,’ zei Glenn. ‘Die heb je nog meer gemist dan je vrouw.’

Weer die bulderlach. ‘Wacht, ik ga mee. Nog even naar de Bali kroeg. Laatste avond, ik moet van heel wat verdrietige meisjes af- scheid nemen.’ Hij klopte Erwin op zijn schouder: ‘Ga mee man, lekker feesten. Je mag toch wel één avond ontspannen. No span, man.’

Erwin leek te aarzelen.

‘Kom we gaan. Misschien kom je hier nooit weer. Met mij naast je hoef je niet bang te zijn. Ik ken ze allemaal daar.’ Met zijn gespierde arm over zijn schouder trok hij Erwin mee naar de uitgang. Erwin liet zich meesleuren. Zijn aarzelende blik was weg, zijn ogen schit- terden en hij zag er veel energieker uit.

‘Tot morgen op het vliegveld,’ zei Jaap. Glenn en Erwin zouden de volgende dag vroeg opstaan voor een excursie de bergen in, het vliegtuig vertrok pas ’s avonds. Jaap zou niet meegaan, hij wilde die dag rustig in zijn hotel doorbrengen, uitgebreid en laat ontbijten, ontspannen aan het zwembad zijn aantekeningen doornemen en dan uitgerust het vliegtuig in voor de lange reis terug. ‘Overmorgen weer truien aan helaas, en deze polo’s pas weer aan op de camping,’ zei Jaap. De twee collega’s lachten.

‘Niet te wild hè, Jaap, je laatste nacht hier,’ zei Glenn.

Jaap had een extra late check out kunnen regelen. Cadeau’s voor thuis had hij al gekocht. Zou zijn vrouw de armband met smarag- den mooi vinden? Hij kende haar smaak, maar zeker wist hij het nooit. Na zoveel jaar kon hij meteen aan haar gezicht zien of het cadeau haar beviel.

Hij vond het niet erg alleen achter te blijven, hij had er zin in niet te hoeven praten en rustig rond te kijken. De band zong ook nu weer de bekende grote hits van Oasis, Robbie Williams, Muse, Bob Marley. Hij voelde zich ontspannen, hij dronk zijn bier terwijl hij naar de gasten keek die zich vermaakten, stellen die vrolijk aan het praten waren, tussendoor een zoen of een hand op elkaars been. Vrijdagavond is overal hetzelfde, dacht hij. Zouden wij ook weer eens moeten doen, op vrijdag uit.

Hij dacht terug aan een gesprek met de jongens, een week gele- den. Erwin keek hem verbaasd aan, toen Jaap zei dat hij hier graag nog twee weken of langer zou blijven.

‘Mis je je vrouw dan niet, en thuis?’ vroeg Erwin. ‘Ik ga nooit meer langer dan een week op zakenreis.’

‘Ach,’ begon Jaap, maar toen grapte Glenn dat Jaaps vrouw juist blij was dat hij zo lang was opgerot, bulderlach, en dat Erwins vrouw hem misschien ook liever niet in huis had. Erwin zei dat Glenn hem niet moest beledigen en dat Glenn met zijn schatje in elk stadje nooit een vrouw zou hebben die altijd voor hem klaar- stond, waarop Glenn begon te lachen en zei dat er verschil was tussen klaarstaan en klaarmaken. Erwin noemde hem een vuilak en ging steeds harder en sneller praten. Ook deze keer kon Jaap het gesprek weer sussen en afblussen met bier, en het gesprek wegleiden van zijn eigen relatie.

Nu, alleen in Kazbar, dacht hij hoe hij thuis de gesprekken met zijn twee collega’s over de dagelijkse belevenissen en ergernissen, de vele plaagstootjes, hun maaltijden samen zou gaan missen. Hij keek naar de lachende stellen en vroeg zich af of zij over vele jaren nog zo onbekommerd en voluit en vrijuit zouden lachen en praten. Hij appte zijn vrouw dat hij moe was en vroeg naar bed ging en niet meer zou bellen. ‘O ja, ik mis je,’ voegde hij eraan toe met een smileyteken en een X. Deze twee weken had hij geen tijd gehad om haar te missen, hield hij zich voor.

Hij hoort een piep. Abri appt dat het verkeer nog drukker is dan andere zaterdagen en dat ze nóg een half uur onderweg is. Jaap be- sluit dat hij vandaag niet meer gaat zwemmen. Hij voelt een druk op zijn borst en denkt aan het rapport dat hij moet schrijven. Hij gaat naakt op bed liggen. Hij sluimert weg en ziet de beelden van vannacht in Kazbar scherp voor zich.

Terwijl hij doordronk, werd de bar steeds voller. Het viel Jaap ook vanavond weer op dat de meisjes hier in korte rokken kwamen, rookten, meedronken met de anderen en dezelfde flirtende blikken rondstuurden als in zijn land. Een heel ander beeld dan buiten op straat, waar de meeste vrouwen een hoofddoek en wijde, bedekken- de kleding droegen. Een typische poel des verderfs voor de religieu- ze fanatiekelingen, die in sommige bars de drankflessen kapotsme- ten en de vrouwen naar huis joegen.

Tijdens een rookpauze van de band sprak hij buiten met de zangeres en de gitarist. Jaap suggereerde haar een nummer van Golden Earring in hun repertoire op te nemen, omdat het mooi bij de rest van hun nummers aansloot. De zangeres keek hem door de rook strak aan en vroeg of het een bekende band in zijn land was. Voor- dat Jaap over hun internationale successen kon beginnen, zei een meerokende lange jongen dat het nummer een grote hit in zijn land was geweest. De zangeres zocht het nummer op haar telefoon op, keek Jaap schuin aan door de rook heen, en vroeg lachend of ze dan toch bij Jaap mocht logeren als ze in zijn land een tournee maakte. ‘Alleen als ibu niet thuis is,’ zei Jaap. De zangeres gooide een zoen in de lucht en liep naar binnen.

De jongen stelde zich voor als Nederlander en nodigde Jaap uit bij hem en een groep van drie meisjes te komen zitten. De band speelde weer en Jaap moest tegen het oor van de jongen schreeuwen om te kunnen praten. Sommige meisjes gingen op de tafels dansen, anderen vroegen aan de zangeres om een nummer mee te zingen. Jaap kreeg genoeg van de jongen, die steeds harder onverstaanbare woorden tegen hem schreeuwde, zijn speeksel spatte op Jaaps oor. Eén van de drie meisjes kwam naar hem toe en trok hem mee de dansvloer op, eindelijk weg van de jongen. Zij had steil zwart haar, een rond gezicht, licht Chinese ogen, volle lippen. Iedereen in de bar danste en sprong, aangevuurd door de zangeres. Alleen de bassist bleef in zichzelf gekeerd en onverstoorbaar op het podium staan, zoals alle bassisten in alle bands. Na twee nummers gingen Jaap en het meisje zitten.

Hij vroeg hoe ze heette.

‘Abri,’ zei ze. Ze spraken over het werk van Jaap en haar leven en werk op de administratie van een ziekenhuis. Al na vijf minu- ten had ze haar whatsappadres in Jaaps telefoon opgeslagen en de verbinding gecheckt met twee korte berichtjes. Ze dronken in een hoog tempo, de Nederlandse slungel was de bierhaler.

‘This one for my Dutch friend,’ zei de zangeres. ‘A song from Hol- land, about the Goddess of Love.’

Ze wees naar Jaap, drukte haar rechterwijsvinger met paarsgelak- te nagel tegen haar felrode lippen en stuurde een zoen naar hem. Daarna een schokkende heupbeweging in zijn richting, en nog een zoen. De gitarist zette Venus in. Jaap wilde dansen met een ander meisje, maar die zei lachend dat hij met Abri was en dus met haar moest dansen. Dat gaat snel, dacht Jaap. Abri dronk veel en danste steeds uitgelatener. De vloer was vol, kabaal van muziek, gelach, en hard praten.

Bij het eten met zijn collega’s was Jaap wat gespannen geweest; het rapport dat hij moest schrijven, de dagelijkse routine na terugkeer, in huis en op zijn werk, spookten door zijn hoofd. Ook dacht hij aan de resultaten van de missie. Er was geen contract afgesloten. Nu voelde hij zich rustig worden, hij was blij dat hij niet had ingetekend op de excursie en hier tot laat in de nacht kon blijven. Abri sprak nu ook met haar wang tegen hem aan, hij voelde haar been tegen zijn been wrijven, elke keer wat hoger. Zij had een korte spijkerrok en lage witte gymschoenen aan, waartegen haar benen nog bruiner afstaken. Ze vertelde over haar werk in het ziekenhuis, het werk van haar twee vriendinnen, de flat die ze deelde met één van hen, en de Nederlandse jongen die wanhopig probeerde het aan te leggen met haar vriendin die bang was voor zijn soms agressieve gedrag. Tussen de gesprekken door sleurde Abri Jaap steeds de dansvloer op. Het was lang geleden dat hij thuis zo had gedanst. Tijdens een langzaam nummer omhelsde Jaap haar, zij drukte haar borsten tegen zijn borst, bewoog haar lippen tegen zijn wangen en zocht zijn mond. De zangeres knipoogde naar hem.

De Nederlandse jongen onderbrak hun dans en vroeg, met veel speeksel, of Jaap geld had voor de rekening. ‘Als je me je reke- ningnummer geeft, kan ik je terugbetalen in Nederland,’ zei hij.

Jaap voelde zich gepakt. Hij voelde weer de spanning van eerder die avond, toen zijn leven van over twee dagen hem voor de geest kwam, maar dat verdween toen Abri haar arm om zijn middel legde en ze met de rest meeliepen naar buiten. Terwijl de anderen met een taxichauffeur onderhandelden, vroeg Jaap aan Abri of ze mee wilde gaan. Ze keek om zich heen, zuchtte en zei dat het niet kon omdat ze met zijn allen waren gekomen. Jaap zei dat hij die dag zou vertrek- ken.

‘Ik kom morgen langs in je hotel, OK. Dan zien de anderen niets,’ zei ze. ‘Wel geheim houden hé.’

Jaap gaf de naam van zijn hotel door. Na een volle zoen stapte ze bij de anderen in. Jaap liep over de stoep vol gaten langs enkele rokende saté-verkopers terug. De laatste keer dat ik deze smerige lucht insnuif, dacht hij. Erwin zal blij zijn. Hij besefte dat hij zelfs deze lucht zou missen. Ook de drukte. Terug in het hotel keek hij naar de hoge kerstboom. Hij dacht aan de komende kerstdagen; zijn keel voelde droog.

Op zijn kamer keek hij zijn aantekeningen door. Hij zag voor zich hoe in de ochtendstaf over vier dagen de Azië-manager hem zou vragen verslag te doen van zijn reis en hoe de staf zou eindigen in discussie over de kosten van de reis afgezet tegen de resultaten. Of de reis had geleid tot betere samenwerking met de organisaties hier. Zijn keel werd nog droger. Hij probeerde rooskleuriger formulerin- gen te vinden voor de resultaten, maar na vijf minuten smeet hij zijn aantekeningen tegen de muur aan en nam een whisky uit de mini- bar.

Hij schrikt van het appsignaal. Beneden komt ze naar hem toe ren- nen. ‘Djap,’ roept ze hard. Ze springt tegen hem op. Jaap voelt haar haar langs zijn wang strijken, haar billen tegen zijn handen, haar lippen vol op de zijne. Ze heeft dezelfde witte spijkerrok aan als in de Kazbar. Ze zegt dat ze drie uur heeft voordat ze moet werken. Jaap vraagt een bewaker een foto te maken van hen voor de kerstboom. De bewaker heeft een kerstmuts op, op zijn rug steekt een grote zweetvlek donker af tegen zijn lichtblauwe uniform.

‘Ik wil een cadeautje,’ zegt Abri wijzend op de ingepakte dozen voor de boom. ‘Dat krijg je boven,’ zegt Jaap. ‘Is het ingepakt?’ vraagt ze. Jaaps lichaam reageert weer op haar hese stem. ‘Is het een groot cadeau?’ fluistert ze. ‘Het hangt van jou af,’ zegt Jaap. Ze lacht weer. Ze drukt haar borsten flink tegen hem aan. ‘Kan ik het grote warme cadeau misschien voelen?’ fluistert ze in zijn oor. Ze tikt zacht tegen Jaaps broekspijp.

Boven in de kamer maakt Jaap groene thee. Ze zitten op bed, zij met haar ene been gevouwen onder haar andere, haar witte rok be- dekt minder dan een derde van haar bruine perfecte dijen. Zij vertelt over haar vriendinnen, hoe die proberen de Nederlandse lummel af te poeieren. Ook vertelt ze over haar Nieuw-Zeelandse vriend. Haar vriendinnen mogen niet weten dat ze in het hotel is, want die vertel- len het aan hem door. En Sean is erg jaloers.

Jaap voelt zich opgelucht dat ze een vriend heeft. Voor haar is dit net zo’n mooie afsluiting van een mooie nacht als voor hem. Ze zegt dat ze moe is en gaat liggen. Jaap zegt dat hij een kater heeft en gaat naast haar liggen. Hij pakt haar hand en zegt dat hij een kus wil. Zij heeft koele vingers. Als ze hem kust pakt ze hem bij de schouders. Haar haren glijden over zijn borst, hij rilt even. Even denkt hij aan zijn vrouw, maar dan ruikt hij Abri’s haar. Jaap gaat met zijn hand over haar wangen en langzaam naar beneden, steeds lager, tot haar dijen. Ook die voelen koel aan. Het vrijen gaat vloeiend, de ene be- weging gaat vanzelf over in de andere, alsof ze al jaren samen zijn. Als ze klaar zijn zegt ze dat ze vannacht bijna niet heeft geslapen. Jaap is ook moe.

Jaap wordt wakker van de telefoon. Hij kijkt tegen Abri’s gezicht aan en kijkt omlaag naar haar borsten, net boven het laken. Net een Balinees beeld. Ze snurkt licht. Bij haar vindt hij het lief klinken. Hij heeft geen zin om zijn vrouw te spreken en drukt de oproep weg. Kort daarop klinkt een piep van een inkomend whatsapp-bericht. Hij schrikt, het is later dan hij gepland had voor vertrek naar het vliegveld. Een tocht, die in het regenseizoen zeker twee uur duurt. Hij maakt Abri wakker. Hij zegt dat hij zijn vliegtuig moet halen.

‘Er is altijd tijd voor een quickie,’ zegt ze. Waarom doen ze dit thuis nooit? Seks als je er zin hebt, meteen. Na afloop douchen ze samen. ‘Abri, we gaan veel whatsappen, oké?’ zegt Jaap.

‘Nee, niet Abri,’ zegt zij. ‘April.’

Een songtekst van Simon & Garfunkel, April Come She Will, schiet hem te binnen. Hij denkt aan het orgasme dat ze had, haar ogen ge- sloten en een korte zucht. De voetzolen die ze over het laken wreef. Haar volle bovenlip die naar voren krulde. Maar hij zegt: ‘Ah, April. Dus niet Abri. April in december.’ Ze lacht en zoent hem voluit. In de lift zegt ze: ‘Dit was een mooi kerstcadeau, voor ons. Niet voor Sean, of je vrouw. Merry Christmas.’ ‘Ja,’ zegt Jaap. ‘Een souvenir van je land.’

Beneden in de hal wachten ze op de motortaxi. Een pianist speelt kerstliedjes naast de hoge kerstboom. Een laatste zoen. Ze klimt ach- terop de motor. Haar rok stijgt op en spant om haar dijen. Ze lacht en geeft hem een kushand. ‘Tabee April,’ roept Jaap.

De waker met de kerstmuts waarschuwt Jaap dat zijn taxi er staat. Jaap voelt geen druk meer in zijn maag en borst. Hij leest het whatsapp-bericht van zijn vrouw: ‘Sorry, maar ik kom je niet afhalen op Schiphol.’

Op zijn mobiel komen drie berichten binnen, van Abri.

Jaap kijkt op zijn horloge. Hij is te laat.

Hanjo de Kuiper

CONCERT VOOR ARNO

*
De kleuren in mijn straat zijn verdwenen. De groene struiken,
de rode klinkers, mijn blauwe auto, alles is bedekt met een laagje
sneeuw. Geen bandenspoor, geen voetafdruk, geen hondenpies
die de puurheid van het sneeuwdek verstoort. Erboven hangt een
gordijn van witte vlokken die geen haast hebben om te vallen. Dit
gaat nog een eeuwigheid duren …
Het is de laatste maand van het jaar, maar sneeuw heeft de
weerman niet voorspeld. Zou het een ingreep zijn van de God van
Arno, om te verhinderen dat er op zondag muziek wordt gemaakt?
Maar Arno heeft zelf gevraagd of wij voor hem komen spelen. Geert
heeft toegezegd en belofte maakt schuld; het concert gaat door.
‘Heb je je bladmuziek ingepakt?’ vraagt mijn vrouw. ‘Altijd handig
als de zenuwen weer toeslaan.’
‘We hebben maanden gerepeteerd. Alles is onder controle. Tot
straks.’ Ik duw de contrabaskoffer door het gat van de deur naar
buiten en trek de voordeur achter mij dicht.
De klankkast van de contrabas past precies tussen de achterbank
en de klep van de Amazon Kombi. Het bovenstuk priemt over de
achterbank naar de bestuurdersstoel. Met een wisser maak ik de
autoruiten sneeuwvrij. Op de bolle motorkap teken ik in één lange
beweging de letter S. De S van sneeuw. Of de S van snertweer. Nee,
het is de S van slome! De zangeressen wachten. En Arno! Met enkele
grote halen veeg ik de sneeuw van de motorkap, dan stamp ik de
sneeuw van mijn schoenen en stap in. De oude Volvo start meteen
en de banden rollen de Amazon in de richting die ik wil. Nothing else
matters.
Vallende sneeuw is mooi om te zien, maar je kunt niet ver kijken.
De oude koepelgevangenis is het grootste gebouw van de stad, maar
als ik over de singel voorbijrijd, kan ik niet eens de contouren van
de twee krachtige torens naast de poort zien, laat staan de erachter
gelegen zinken stolp waaronder de Drie van Breda de laatste helft
van hun leven hebben doorgebracht. Het is alsof ik door een soort
tunnel rijd, eentje zonder licht aan het einde.
De hobbelige straat van Petra is een glijbaan. Bij het remmen voel
ik de wielen schuiven. Met tegensturen krijg ik de auto terug in het
spoor. Misschien terugschakelen? Dat werkt. Aan het einde van de
straat is genoeg ruimte om de auto neer te zetten. Op mijn leren
zolen langlauf ik terug om de zangeressen op te halen.
**
Ook de snelweg is niet geveegd. Iedereen rijdt rustig en op ruime
afstand van elkaar in hetzelfde spoor. Een soort indianenpas, maar
dan wel eentje waarbij het vertrouwen in de voorganger ontbreekt.
Bij Oosterhout ligt een auto op z’n zijkant in de greppel. Waarom
gaan mensen met dit weer dan ook de weg op? Zelf had ik deze
middag ook liever op kantoor gezeten, veilig achter mijn bureau en
pc en met mijn neus in een stapel bouwvergunningaanvragen. Maar
we moeten een missie volbrengen. Ik pak het stuur steviger vast
en luister naar het gesprek tussen Petra naast mij en Saskia op de
achterbank.
Petra vertelt een grap over de jarige dirigent van haar
renaissancekoor, over zijn verwarde blik toen het koor ‘Lang zal
’ie leven’ inzette in plaats van ‘Lascia mi morire’. Saskia gooit haar
hoofd in haar nek en lacht een kuiltje in beide wangen. Ik glimlach
halfhartig. Eerlijk gezegd kan ik mij de verwarring van de dirigent
goed voorstellen. Alsof je de verkeerde kant van een elpee hebt
opgezet! Niet elke verrassing is leuk.
Bij het naderen van knooppunt Hooipolder houdt het op met
sneeuwen. Als de laatste sneeuwvlokken zijn gaan liggen, komt het
verpleeghuis in zicht: een schip van donkerrode bakstenen tussen
lege weilanden. Vanuit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening
is dit een rare plek voor een zorginstelling. Wat heeft een bouwwerk
met maar liefst vier woonlagen en een maatschappelijke functie te
zoeken buiten de stad, in agrarisch gebied?
En met dit bouwwerk is nog iets aan de hand. Vanuit de huiskamer
laat het verpleeghuis zijn licht dag en nacht over de velden schijnen.
Volgens Geert is de architect vergeten om in zijn tekeningen een
lichtschakelaar in de huiskamer op te nemen.
In dat gebouw, die vuurtoren voor de mollen, repeteren we op de
maandagavond in de fysiotherapiezaal, omringd door wandrekken,
loopbruggen en hometrainers. Aan de wand hangen anatomische
tekeningen met klinkende titels als shoulder and elbow, pelvis and hip,
nervous system en understanding osteoporosis. Het is de werkplek van
Geert, onze gitarist, en voor het gebruik hoeven we niets te betalen.
Vandaag is onze kans om iets terug te doen: we spelen op de 43e
verjaardag van Arno.
Volgens Geert kan Arno bijna niets meer, maar een ademende
mens in bed laten liggen is in dit verpleeghuis geen optie. Iedere
dag opnieuw wordt hij met zorg en aandacht in een gepolsterde
blokstoel getild. Zijn verslappende lichaam wordt in beweging
gehouden door Geert. Tijdens de fysiotherapie brabbelt Arno graag
over muziek, over jazzsaxofonisten van vroeger: Lester Young,
Coleman Hawkins, John Coltrane. Muziek luisteren kan Arno als de
beste; voor zolang het duurt. Arno heeft de ziekte van Huntington,
volgens Geert een combinatie van ALS, Parkinson en dementie. Zijn
lichaamsfuncties vallen één voor één uit. Zijn enige vooruitzicht is
dat hij, zodra hij helemaal niet meer kan slikken, zal stikken in zijn
eigen speeksel.
We moeten van snelweg wisselen. De afrit daalt van het talud af
zoals een glijbaan: eerst een stukje rechtdoor, dan met een bocht
naar beneden en aan het einde weer recht vooruit. Aan het einde
van de afrit staat het verkeerslicht op rood. Ik haal mijn voet van
het gaspedaal en laat de Amazon op de motor afremmen. De wagen
rolt sneller dan ik prettig vind, maar op het besneeuwde wegdek
durf ik niet te remmen. De Amazon rolt maar door en door en door.
Zo gemakkelijk als deze bolide zojuist door de sneeuw ploegde, zo
moeilijk is het nu om de zware Zweed tot stilstand te brengen.
We naderen de kruising. Ten einde raad trap ik op de rem.
Geen goed idee. Prompt begint de auto om zijn as te draaien. Het
verkeerslicht voor ons verschuift naar het zijraam, dan naar de
achterruit. De auto draait onverstoorbaar verder. Als een stijve robot
in een mechanische wals schuift de Amazon de kruising op.
Het gesprek tussen mijn passagiers is inmiddels verstomd. Petra
grijpt met beide handen naar het dashboard. Haar mond gaat open,
maar er komt geen geluid uit. Ik schakel terug en laat de koppeling
opkomen. De banden zoeken grip. De Amazon walst nog enkele
meters door, maar komt dan met een ruk tot stilstand, de neus
gericht naar de rijen auto’s die op de kruisende weg wachten voor
het rode licht. We kijken de bestuurders recht in het gezicht.
Weg hier! Terwijl de wagen nog na-waggelt, duw ik de schakelpook
in de eerste versnelling en geef gas. De Amazon beweegt mee. Met
een grote draai komt de wagen in de goede rijrichting.
We rijden weer. We nemen meteen de eerste uitrit en laten de
snelweg achter ons. Op de rotonde blijf ik het stuur zo krampachtig
vasthouden dat het bijna niet lukt om de rotonde driekwart te
nemen.
De eerste die iets zegt, is Saskia. ‘Steek je altijd zo de kruising over?’
vraagt ze droog.
‘Sodemieter!’ sist Petra. ‘Dat had slecht kunnen aflopen! Zo’n oude
auto is gewoon niet veilig.’
‘Welnee,’ sust Saskia, ‘dat was gewoon een beetje sleeën. Dat kan
zo’n logge Volvo wel hebben. Bovendien hebben we geen tijd voor
ongelukken. We moeten vanmiddag een concert geven.’
Och ja, het optreden. Daar was deze dodemansrit om begonnen.
‘De winter kan ons niet tegenhouden.’ Saskia steekt een vuist in de
lucht: ‘Het concert voor Arno gaat door!’
Het verpleeghuis ligt nu recht voor ons. Met een uiterste
inspanning rijd ik de auto het terrein op, stuur hem recht naar de
hoofdingang en zet de motor uit.
‘Kom,’ zegt Saskia, ‘koffie!’
***
In de huiskamer is het warm, verstikkend warm. Zou de aannemer
misschien vergeten zijn een draaiknop op de radiatoren te
installeren?
Ergens tussen twee tafels staat een gitaarkoffer. Geert zit verderop
aan een grote tafel bij het raam. Op de tafel staan kopjes, een
chromen thermoskan en een bord met plakjes cake. ‘Ha, daar zijn
jullie eindelijk! Ik was al bang dat ik het vandaag alleen moest doen.’
‘Nou, daar zeg je wat!’ Petra gaat tegenover Geert zitten en begint
te vertellen. Haar handen maken grote gebaren.
Saskia pakt de thermoskan en schenkt koffie in.
‘Ik ben zo terug,’ mompel ik en trek me terug in de toiletruimte. Bij
de achterste wastafel draai ik de warmwaterkraan open en laat het
weldadige water over mijn handen stromen. In de spiegel kijkt een
man mij met een verwilderde blik aan. ‘Ja, ja,’ brom ik, ‘geef me even
tijd om van de schrik te bekomen.’
Mijn vingers zijn verkrampt. Hiermee kan ik geen contrabas
spelen. Ik draai de kraan nog iets warmer. De Canadese pianist
Glenn Gould dompelde voor elk concert zijn handen in een wasbak
met warm water om zijn vingerspieren te ontspannen. Op 31-jarige
leeftijd stopte hij definitief met optreden, zogezegd om zich volledig
te wijden aan het maken van studio-opnamen. Kennelijk heeft het
warme water ook bij hem niet geholpen. Ik draai de kraan dicht en
droog mijn handen af. De man in de spiegel kijkt zorgelijk.
Terug in de huiskamer staat er opeens een vrouw bij onze tafel.
Met haar zijden jurk en haar opgestoken haar ziet ze er verzorgd uit,
maar haar gezicht is niet opgemaakt. ‘Jullie zijn de muzikanten van
The Nervous System?’ Ze kijkt mij vorsend aan. ‘Ik ben Marjolein, de
vrouw van Arno.’
‘Aangenaam!’ zeg ik.
‘Bedankt voor jullie komst, maar … Het concert gaat niet door.’ Ze
slikt. ‘Arno is overleden. Vannacht, in zijn slaap. De verpleegster kon
hem vanochtend niet wakker krijgen.’
‘Ach,’ kreunt Geert. Hij krimpt ineen.
‘Dat is nog eens een verrassing!’ mompelt Petra.
Ik sla mijn ogen neer, alsof ook dit mijn schuld is. ‘Het spijt me.’
‘Ik had jullie graag eerder geïnformeerd, maar ik wist niet hoe ik
jullie kon bereiken.’
Petra steekt bezwerend haar handen op: ‘Niet erg. We wonen in de
buurt. Het is geen moeite.’
Geert schraapt zijn keel. ‘Natuurlijk wist ik dat Arno achteruitging.
Maar het slikken ging nog best goed.’
Marjolein knikt. ‘Hij verheugde zich op jullie komst.’
‘Mag ik ’m zien?’
‘Natuurlijk. Loop maar mee!’
Geert draait zich naar ons. ‘Misschien dat we toch iets …? Op zijn
kamer?’
Petra verstijft. ‘We hebben nog helemaal niet ingespeeld!’
Geert haalt zijn schouders op. ‘Arno is een vriend.’
‘Wat je voor een vriend doet, moet je goed doen!’
Geert knikt bemoedigend. ‘Arno weet wat hij van ons mag
verwachten.’ Hij loopt weg om zijn gitaar te pakken. Ik frunnik aan
de stemsleutels van mijn bas. Saskia neuriet het refrein van Nothing
else matters. Petra zucht en pakt de zachte shaker uit haar tas.
****
De kamer is ruim en licht en heeft een groot raam op het westen.
Tegen de lange wand staat een bed. Er ligt een man in; een rijzige
man in een blauwe pyjama. Hij ligt op zijn rug. Het dekbed is
opgetrokken tot onder zijn oksels. Zijn handen liggen gevouwen op
zijn buik en zijn bloedeloze gezicht drukt ontspanning uit.
Dus dit is Arno. Op het oog lijkt hij een gewone man, maar al
vanaf zijn geboorte zat er een tijdbom in dat lichaam verstopt. Ik
monster de foto’s op de vensterbank. Zo te zien geen kinderen.
Waarschijnlijk hebben zijn vrouw en hij dat niet aangedurfd.
Opnieuw bekruipt mij een gevoel van schuld. Schuld dat ik gezond
ben, dat ik een leuke baan bij de gemeente heb, dat ik plezier beleef
met een dochter die van mij wint met schaken en met amateuristisch
gepluk aan de snaren van een contrabas. Een zorgeloos leventje. Ik
ril het ongemak van mij af.
Marjolein staat bij het bed en staart naar haar man. ‘Tja,’ mompelt
ze, ‘de Heer heeft hem wel een zacht einde cadeau gedaan.’
Geert stapt naar het hoofdeinde. Hij buigt zich voorover en
fluistert in Arno’s oor. Het enige wat ik kan verstaan is: ‘… groeten
aan Coltrane …’
Geert komt overeind en blijft staan. Hij wacht. Op een antwoord?
Eindelijk stapt Geert weg van het bed. Hij hangt zijn gitaar om. Ik
trek de klankkast van de contrabas tegen mijn lichaam. We wisselen
een blik van verstandhouding.
‘Wacht!’ zegt Saskia. Ze duwt de kamerdeur dicht. ‘Zo.’ Ze gaat
naast Petra staan en haakt haar arm onder die van Petra.
Geert knikt. Hij concentreert zich op zijn intro. Dan begint hij te
tokkelen. Na vier maten val ik in, mooi op tijd. De volgende noten
komen vanzelf. Mijn vingers kunnen zich de grepen herinneren.
Saskia zingt het eerste couplet. So close no matter how far, couldn’t be
much more from the heart. In het tweede couplet valt Petra bij, een terts
lager dan Saskia. Het refrein zingen de zangeressen unisono. Petra
slaat de maat met de shaker.
De kamerdeur gaat open. Een verpleegster, blond en blozend,
steekt haar frisse hoofd om de deur. Marjolein wenkt haar. De
verpleegster zet twee stappen naar binnen. Met haar rug duwt ze de
deur dicht. Ze knikt opgetogen naar Marjolein.
Voor mij is het de eerste keer dat ik aan het bed van een overledene
sta. Het voelt niet vreemd. Integendeel, ik waan mij samen met
de drie koningen bij de kribbe van het Kindeke Jezus. Wij bieden
ons geschenk aan: het goedbedoelde resultaat van maandenlang
repeteren. Het was niet voor niets. Ons samenspel klinkt hecht;
de synergie van vriendschap. Trust I seek and I find in you. Een golf
van warmte welt op in mijn borst en trekt door mijn hele lichaam.
Eindelijk kan ik ontspannen.
Hier staan we dan. We kijken naar het bed. Daar ligt Arno, vredig.
Wie niet beter weet, zou denken dat hij naar buiten kijkt, naar de
sneeuwhemel boven het verpleeghuis, boven de velden, boven de
rivier. No matter how far, wij zijn hier en spelen. Wij spelen voor Arno.
Nothing else matters.


Marc Alphons

Dit verhaal verscheen in de bundel Verhalen & Gedichten uit Het Schrijflab 2020, te bestellen bij Uitgeverij Shinz, prijs € 12,50 : http://www.shinz.nl/bestellen