Verhalen uit Het Schrijflab | Het Schrijflab

DE BENDE VAN WANDER

1.

De eerste dagen van de zomervakantie ging ik geregeld de straat op en liep ik wat verloren rond, op zoek naar een vriend om mee te spelen, of een groepje op het plein om zomaar bij te horen of mee te voetballen.

Ik verveelde me, tot ik Wander tegenkwam. De moeder van Wander en mijn moeder waren vriendinnen. Zo kenden we elkaar. Hij was al elf, ik nog tien.

‘Ik heb nu geen tijd om te voetballen,’ zei Wander, ‘ik moet naar oma.’ Hij stapte stevig door en vertelde ondertussen dat zijn opa niet meer leefde, zijn oma was met de ouders van Wander meegekomen op de boot uit Indië. Na lang wachten in het opvangcentrum was oma Duthler een huisje toegewezen bij ons in de wijk. Al pratend kwamen we bij het poortje naar de achtertuin van zijn oma. Iedere zaterdag hielp Wander zijn oma, hij knapte klusjes voor haar op in haar nieuwe huis.

Of ik mocht meehelpen. ‘Natúúrlijk,’ zei zijn oma, ‘er is genoeg te doen.’ Even later veegden Wander en ik het plaatsje achter het huis schoon, ieder met een eigen bezem, terwijl oma Belgische friet bakte in haar keukentje. Toen we klaar waren, kregen we ieder een diep bord vol friet met op de hoge rand een flinke dot mayonaise. Heerlijk. Wat kon die oma lekker koken.

‘Oma woont hier nog maar kort,’ zei Wander, terwijl we aan de keukentafel de frieten naar binnen werkten, ‘maar ze is nu al beroemd, vanwege haar Indische eten. Ze maakt het weleens klaar voor de Brabantse Indiëgangers in de buurt.’ Oma Duthler kirde van het lachen. Bij haar in huis hing altijd de geur van gekookte rijst met pandanblad. ‘Oma heeft een rare kostganger,’ ging Wander smakkend verder, ‘het is een militair uit Indië, hij is nogal op zichzelf, geen familie, geen vrienden. Meestal ligt hij boven in zijn kamer op bed en ’s avonds bedrinkt hij zich in de kroeg, dan maakt hij ruzie of vertelt stoere verhalen.’

‘Waarover dan,’ vroeg ik.

‘Nou,’ reageerde Wander geheimzinnig, ‘vooral over hoeveel hij er over de kling heeft gejaagd in zijn tijd als soldaat bij het KNIL. Zo heette vroeger het leger in Indië, het Koninklijk NederlandschIndisch Leger.’ Wander streek met zijn laatste friet het restje mayonaise van zijn bord. ‘Je maakt je zorgen, hè, oma? Hij heeft allemaal sloten gemaakt op de binnenkant van zijn slaapkamerdeur? Iedere keer komt er weer een slot bij. Want ’s nachts in bed doet hij het in zijn broek. In zijn dromen is hij niet veilig. Dan komen de geesten en de schimmen uit zijn verleden, van iedereen die hij ooit over de kling heeft gejaagd.’

‘Niet netjes van jou om zo te praten,’ zei oma, ‘straks staat hij zomaar voor de deur.’

De maanden erna ging ik dikwijls naar Wander om met hem te spelen. Het grote bos aan de rand van het dorp was ons terrein. Samen met andere jongens uit de buurt bouwden we hutten en voerden oorlog in de jungle met speelgoedgeweren en stokken. We deelden ons op in twee groepen aan weerskanten van een droge greppel, die we al schietend moesten zien over te steken. We deden daarbij wie het mooiste dood kon vallen; als we waren geraakt door een kogel doken we met een schreeuw van pijn in elkaar. Terwijl we als in een vertraagde film naar de grond gingen, grepen we naar de schotwond in onze buik of in ons hart. Na tien lange tellen kwamen we opnieuw tot leven, mochten we gaan staan en weer meedoen aan het gevecht.

Waar het bos ophield lag een zandpad, daar begonnen de velden waar boer van Engelen samen met zijn knecht koren maaide en aardappels teelde. Na de oogst bouwde hij op het veld een grote hooimijt tegen de bosrand. Voor de bende was het heerlijk om erin te klimmen en te spelen in het zachte hooi, maar je moest wel oppassen voor de knecht van de boer. Als die het zag, kwam hij vanuit de boerderij over het pad aanjakkeren op zijn fiets en remde bij de hooimijt af met zijn voeten in het zand. Wie dan nog niet weg was, bond hij vast aan een boom en kreeg ervanlangs met zijn broekriem.

Na die ene keer kwam ik wel vaker bij oma Duthler en deed op zaterdagmiddag samen met Wander klusjes in ruil voor een bord friet. Op een van die middagen moest ze even weg, boodschappen doen in de nieuwe supermarkt in het dorp. ‘Zoveel aanbiedingen, zo goedkoop,’ zei oma, ‘jullie redden je wel, toch?’ We keken hoe ze vertrok op haar damesfiets met achterop twee grote fietstassen. Oma was niet meer de jongste en als ze op de zwarte Batavus wegreed, wiebelde de fiets een beetje.

‘Kom. Hij is niet thuis,’ zei Wander samenzweerderig. ‘We gaan op zijn kamer kijken.’

‘Bij die oude man? Wander, ik weet niet ...’

‘Doe niet zo kinderachtig, we gaan naar boven.’

Weifelend liep ik achter hem de trap op naar de kamer van de oude man. De deur naar zijn kamer was niet op slot, we konden zo naar binnen. De gesloten overgordijnen filterden het licht van buiten, in het vertrek heerste een geheimzinnige schemering. Tegen de muur stond een strak opgemaakt eenpersoonsbed, voor het raam een tafel met bureaustoel en in een hoek van de kamer een houten scheepskist. Dat was het enige meubilair. Boven zijn bed hing een schilderij met palmbomen in een tropennacht, en op het behang ernaast waren wat foto’s uit tijdschriften geplakt van ondeugend kijkende vrouwen met blonde krullen, de lange slanke benen bloot op hoge hakken.

‘Pin-ups,’ wist Wander.

Op de scheepskist stond een fotolijstje met de beeltenis van een troep soldaten.

‘Dat is hem,’ wees Wander aan, ‘en dat zijn de mannen van zijn legereenheid in Indië. Het Depot Speciale Troepen. Die daar in het midden is hun commandant. Westerling. Kapitein Westerling.’ ‘En wat is dat?’ vroeg ik. Op de kist lag iets. Ik durfde het niet aan te raken.

Wander wel. Hij pakte het in zijn hand. ‘Een klewang, een sabelmes.’ Hij maaide ermee door de lucht. ‘Je kunt er iemand de keel mee doorsnijden.’

Ik hield goed in de gaten wat Wander met de klewang deed. Een bulderende stem deed ons verstijven: ‘Leg neer dat ding! zeg ik. Leg neer!’

In de deuropening stond de oude man, een stok in de hand, zijn ogen schoten vuur. We waren er gloeiend bij. ‘Dacht je nou echt dat je mij kon belazeren. Dacht je nou echt dat ik het niet in de gaten had!’

Ik vroeg me af hoe het hem was gelukt geruisloos het huis binnen te komen en de trap op te lopen.

‘Blaaskaak.’ Hij deelde met zijn vrije hand een tik uit aan Wander, maar die wist hem met zijn elleboog af te weren. ‘Je bent hier vaker geweest, hè? Rondscharrelen als een dief tussen mijn spullen.’ Daarna keek hij argwanend in mijn richting.

‘En wie ben jij?’ Ik keek in zijn verweerde gezicht, tropenbruin van kleur met zwarte vlekken op de huid van de zon.

‘Ronnie, meneer.’

‘Spreekt met twee woorden. Komt zeker uit een goed nest. Anders dan ...’ Hij haalde nog eens uit naar Wander en deze keer kwam de tik wel aan. Wander schreeuwde het uit, zo te zien meer van de schrik dan van de pijn.

‘Wat doe je hier. Wat zit je rond te snuffelen in mijn kamer?’

‘Ik wil het weten,’ gilde Wander

‘Wat wil je weten?’

‘Dat van kapitein Westerling. En van mijn vader’

De oude man keek Wander aandachtig aan. ‘Westerling. Hoe kom je aan die naam?’ Hij klonk niet meer zo bars.

‘Van mijn vader!’

‘O? Wat heeft hij je verteld?’

‘Dat is ’t ’m nou juist,’ zei Wander verontwaardigd, ‘hij vertelt nooit iets! Alleen dat hij bij Westerling in het Depot Speciale Troepen heeft gediend. Volgens mijn moeder denkt hij nog vaak terug aan de oorlog in Indië, aan wat hij daar heeft meegemaakt.’ Wander pulkte aan de mouw van zijn trui. ‘Laatst stond hij ineens te grienen terwijl de plaat van Ketelbinkie op de radio werd gedraaid.’ … ‘Maar praten over wat er in hem omgaat, ho maar! Als je er iets van zegt, gaat hij zomaar uit het niks tekeer. Heeft het te maken met die Westerling? Ik wil weten waarom hij zwijgt.’

‘Je vraagt wel veel,’ zei de oude man, ‘maar je hebt ook lef.’ De man zette zich op de enige stoel in de kamer en pakte een sigaret.

‘Goed. Kom allebei op het bed zitten, jij ook.’ De eerste trek aan zijn sigaret veroorzaakte een vieze kruidige stank. ‘Kretek. Niet lekker zeker?’ vroeg hij geamuseerd. ‘Ik weet niet of ik nou ruzie krijg met je vader. Je vader was in het KNIL een strijdmakker van mij, moet je weten. Een verdomd goeie vent, zoals hij zich over jullie gezin heeft ontfermd, het gezin van een gesneuvelde kameraad. Bij elkaar wel een zooitje ongeregeld: twee kinderen van haar eerste man en dan nog dat kleine Japannertje, verwekt door de vijand, wat een ellende, en daarna heeft hij jou nog bij haar gemaakt. Ik was er niet aan begonnen. Ik heb al in twee rotoorlogen meegedaan, en er is er nog een in aantocht. Straks komen de Russen en wordt het weer vechten. Een gezin is dan alleen maar een blok aan je been. Maar ik snap het wel, je moeder ziet er nog steeds goed uit, ook al heeft ze vier kinderen gebaard.’

De oude man drukte zijn sigaret uit op het tafelblad en sloeg zijn armen over elkaar.

‘Nog voor de komst naar Nederland heeft hij jullie onder zijn hoede genomen. Daar mogen je grote broers wel wat dankbaarder voor zijn. Die werken niet echt mee. Ondankbaar tuig. Van meet af aan moesten ze hem niet, die lastpakken.

Ik snap het wel. Ze hadden ook al zo lang zonder vader geleefd. In twee oorlogen moesten ze zich zonder vader zien te redden. En toen het voorbij was, kwam er eentje bij hun wonen, niet eens hun echte vader, die ze wel even zou vertellen wat ze wel en niet mochten doen. Dat dwarse, dat krijgt hij er nog wel uit bij jullie, reken maar. Strakke discipline, net als in het leger, daar gaat het om.’

Wander had het verhaal onbewogen aangehoord. ‘En Westerling?’ vroeg hij.

‘O ja Westerling. Daar kwam je voor.’ Even keek de oude man ver weg, voordat hij verderging. ‘Die Japanners waren Indië nog niet uit, toen die Hizboellah bendes en de rebellen van de Repoeblik Indonesia begonnen te rotzooien. Het was lastig tegen ze te vechten. Om je de waarheid te zeggen, we zaten er helemaal doorheen, tot die Westerling commandant werd van onze gevechtsgroep. Dat was in ons legerkamp in Batavia. We moesten allemaal voor hem aantreden. Voor de vlootschouw, zo noemden we dat. Jullie vechten verkeerd, zei Westerling tegen de troep, zo onderdruk je geen opstand. Hij zou ons bijbrengen hoe we tegen guerrilla’s moesten vechten.

Ik wil alleen maar vrijwilligers, zei hij, ik wil geen lafaards en slappelingen. Wie niet mee wil doen moet nu gaan. Ik had toen weg kunnen lopen. Had ik het maar gedaan, zoals de meesten. Maar ik zei, ja. Want ik vond mezelf geen slappeling. Goed, wij mee met Westerling naar Zuid-Celebes voor een operatie van het DST, het Depot Speciale Troepen, zo heette onze strijdgroep. Met honderdtwintig man moesten we het verzet de kop in zien te drukken op een eiland zo groot als Frankrijk.

Bij aankomst bleek de opstand volkomen uit de hand gelopen. Overal was geweld, verkrachting en plundering. Mensen werden niet zomaar vermoord, ze werden door de extremisten compleet aan stukken gesneden.’ De man wreef met zijn vingers over de knokkels van zijn handen. ‘Eigenlijk was het onbegonnen werk om daar iets aan te doen, maar de kapitein had iets bijzonders over zich. Dat kun je alleen maar begrijpen als je erbij bent geweest, hij was een geboren leider.’

Bij de oude man was even iets van een grijns te zien. Ik schrok van zijn lelijke gebit met scheve tanden. ‘Je moet weten, Westerling had zo zijn eigen methode in de strijd met de rebellen. Eerst, nog in de nacht, de desa omsingelen. Dan, aan het begin van de ochtend kwamen we in actie. Rampokkers* met een wapen bij zich werden meteen van kant gemaakt.

Daarna werd de bevolking bijeengedreven in de openlucht, de mannen bij de mannen, en dan pikte de kapitein er altijd een paar uit voor verhoor. Hij wist precies wie hij moest hebben, hij had zo zijn informanten.’ Er viel een stilte, de oude man keek even ver weg. ‘Nou dat maakte indruk, die executies. Iedereen moest toekijken, van groot tot klein. Het meeste deed de kapitein zelf. Hij zat achter een tafeltje met voor zich twee revolvers en vroeg: ben jij die-en-die? En dan stond hij op: pang! Soms wel dertig keer op een dag. In ieder dorp en in iedere stad gebeurde het. En het werkte, de guerrilla bloedde dood.’

‘En mijn vader?’ onderbrak Wander de oude man ongeduldig, ‘heeft hij daaraan meegedaan?’

‘Ja, hij was erbij en natuurlijk, hij heeft eraan meegedaan, net als ieder van ons, het moest. Zo gaat dat met soldaten in de oorlog. Je doet wat je moet doen en verder moet je er niet te veel bij nadenken. De oude man richtte zich op in zijn stoel. ‘Zo is ’t wel mooi geweest,’ zei hij, ‘genoeg voor vandaag.’ Van zijn sigaret was niet meer over dan een brandend stompje, bij het uitdrukken maakte hij een schroeivlek op het tafelblad, ‘Ik weet niet of je het allemaal begrijpt, volgens mij ben je daar nog veel te jong voor. Aju. Ingerukt mars!’ Het ging er bij Wander thuis anders aan toe dan bij ons. Net als ik had hij allemaal broers, die groter en ouder waren dan hijzelf, maar als ze ruzie maakten, vochten ze met hun blote handen en sloegen erop los.

Een broer van Wander was sergeant in het leger en Wander wilde later ook het leger in, bij de stoottroepen, net als vroeger zijn vader in Indië. Wanders vader praatte nog steeds niet over wat hij in Nederlands-Indië had meegemaakt. Hij werkte nu bij de grootste textielfabriek in het dorp en was net bevorderd tot hoofdportier. Hoewel de man niet meer een van de jongsten was, zag hij er in zijn uniform, zijn rijlaarzen, zijn koppelriem met lege pistooltas en zijn pet nog steeds indrukwekkend uit, eerder als een politieagent dan als een portier.

Maar Wander en ik wisten wel beter als hij weer eens in gedachten verzonken was. Na ons bezoek aan de kostganger van oma Duthler kenden wij de verhalen die zijn vader niet kon vertellen. Hij was gedoemd te leven met zijn herinneringen. Zijn kris lag in huis altijd bij hem in de buurt.

2.

Kort na mijn elfde verjaardag kochten mijn ouders een nieuwe tv. De zwart-wit televisie had een veel groter beeldscherm dan we gewend waren en het leek wel of daarmee ons zicht op de wereld veranderde. Iedere avond ging na het toetje, de afwas en de koffie de tv aan en keken we naar het NTS-journaal. Via het grote glazen scherm drong de wereld van 1963 pas echt onze huiskamer binnen. Aan de andere kant van de aardbol was in Vietnam een oorlog aan de gang, maar voor ons gevoel zaten we er middenin. Avond aan avond zaten we gekluisterd aan het toestel en zagen we hoe oorlog er in het echt uitzag.

Aan het begin van de zomer zond het televisiejournaal beelden uit van zwarte mensen in Amerika, nog donkerder dan Freddie Hoed, die bij ons in de straat woonde en altijd beweerde dat zijn oude opa uit Paramaribo ooit slaaf was geweest. Op tv was te zien hoe twee zwarte studenten zich probeerden in te schrijven aan de universiteit in Alabama. Voor de ingang van de universiteit werden ze uitgejouwd en bespuugd door blanke mannen en vrouwen. Amerikaanse agenten, dik en wit, met motorhelmen en zonnebrillen, keken toe, en het was niet duidelijk wat nou hun bedoeling was. Wilden ze de zwarte studenten de weg versperren bij de ingang van het universiteitsgebouw? Of beschermden ze de zwarten tegen de razernij van de blanken? Eén zwarte man was veel aan het woord. Het was een dominee. Martin Luther King. Avond aan avond waren de beelden op het journaal. En steeds deden de motoragenten niets, of wisten ze niet goed wat ze moesten doen?

Die televisiebeelden maakten me bang. Voor het eerst hoorde ik het woord rassendiscriminatie, een woord dat ik niet kende. Nog meer dan eerst werd ik me bewust van de kleur van mijn huid, die anders was, donkerder dan die van de meeste andere kinderen in mijn omgeving. Als hier maar niet hetzelfde zou gebeuren als in Amerika. Ik moest er niet aan denken dat er mensen zouden opstaan die vonden dat ik en andere Indische kinderen niet mochten studeren. Ik wilde naar de HBS en later naar de universiteit en niet naar de LTS zoals mijn grote broer was overkomen. Hij moest op school een blauwe overall aan als een fabrieksarbeider en maakte zijn handen vuil in de les.

Mijn ouders keken ook naar de televisiebeelden. Hoofdschuddend. ‘Wat een achterlijk land is het toch,’ zei mijn moeder vol afschuw. Dat was tegen het zere been van mijn vader, die o zo graag naar Amerika wilde emigreren. Regelmatig kocht hij Amerikaanse tijdschriften of nam ze mee van zijn werk. Time. Newsweek. Look. Dat mijn moeder ooit mee zou verhuizen naar Amerika, kon hij nu wel vergeten.

De artikelen in de tijdschriften waren in het Engels geschreven, maar toch probeerde ik de woorden te begrijpen. Wekenlang keek ik gefascineerd naar een tekening in Look. Daarop was een zwart meisje te zien op weg naar haar lagere school. Voor en achter haar liepen agenten in burger met een band om hun bovenarm met daarop in koeienletters U.S. MARSHAL. Sereen liep ze over straat, haar schrift, een boek en een liniaal hield ze vastgeklemd in haar linkerhand.

Ik droomde dat ik naast het meisje liep, op weg naar school. Alles was zwartwit, net als op de televisie, alleen de schoolspullen die het meisje bij zich droeg, waren gekleurd. De mensen om ons heen vloekten, schreeuwden ‘no blacks in here’ en spuugden naar het meisje.

Het kabaal om ons heen was oorverdovend, maar als ik naar haar keek, dempte het geluid en konden we gewoon een gesprek met elkaar voeren, net of we elkaars gedachten konden lezen.

‘Waarom zijn die mensen boos?’ vroeg ik.

‘Weet ik niet,’ antwoordde het meisje, ‘kijk daar, die hebben tomaten in hun hand, straks gooit iemand en is het raak … al die rode spatten op mijn witte jurk … dat ziet er toch niet uit. De hele wereld kijkt naar mij, overal zijn camera’s die filmen en foto’s maken.’

We kwamen aan bij de school van het meisje, we stonden op het punt de grote schooldeur binnen te gaan. Even draaide ze zich naar me toe en keek me aan. ‘Ik doe dit liever niet, maar ik moet dit doen. Het is mijn plek in de geschiedenis, zegt mijn moeder. Het is belangrijk voor de toekomst van alle mensen.’ Ze was even stil. ‘Later, als ik groot ben wil ik geschiedenis studeren. Ik ga de geschiedenis schrijven van de zwarte mensen. Die hebben nog geen eigen geschiedenis. En jij, wat ga jij doen?’

‘Ik? … Ik weet niet wat ik wil worden,’ hakkelde ik, ‘architect lijkt me wel wat.’

De gang achter de schooldeur was donker. Het meisje aarzelde niet en stapte naar binnen.

3.

Ik weet niet of dat gedoe in Amerika ermee te maken had, maar het kwam weleens voor dat Brabantse jongens uit het oude dorp Indische kinderen lastigvielen. De laatste tijd leek het getreiter erger te worden.

Vooral de Indische meisjes moesten het ontgelden bij de pesterijen. Als ze op de fiets reden, gingen de jongens uit het dorp erachteraan en bleven aan het spatbord van de meisjes kleven. En maar roepen, ‘pinda-pinda, lekkah-lekkah’, ‘ga terug naar je eigen land, apenkop’. Wat konden de meisjes anders doen dan ze met afgekeerd gezicht straal negeren en hun tong naar ze uitsteken als de jongens eindelijk eens afdropen?

Die van het oude dorp, die waren zo simpel, ze kenden het verschil tussen Indisch, Indonesisch en Chinees niet eens, zo weinig hadden ze van de wereld gezien, misschien waren ze nog nooit buiten hun eigen dorp geweest.

Toen ik weer eens thuis bij Wander kwam, stond hij in de achtertuin met om zich heen een groep Indische jongens, die ik kende van het plein. Ook Lodi, die alles wist van straatvechten en je kon vertellen hoe je iemand met twee vingers de ogen kon uitsteken en hoe je met de zijkant van je hand als een mes tegen iemands keel moest slaan, was er ook bij. Ik zag dat Wander behoorlijk over zijn toeren was. Zo had ik hem weleens eerder meegemaakt, dan schopte en sloeg hij tegen alles wat hij onderweg tegenkwam, zelfs tegen de stenen schuur in hun tuin. Voor alle zekerheid bleef ik een beetje uit zijn buurt, voordat ik zei: ‘Doe een beetje rustig man. Wat is er met jou aan de hand?’

Wander keek me aan met een getergde blik. ‘Je weet het nog niet. Het is Tinker. Mijn nichtje Tinker. Ze is totaal overstuur.’ Hij schraapte zijn keel. ‘Tinker is bij de bosrand gepakt door een stel van die Brabantse jongens en tegen de grond gewerkt. Ze zijn op haar armen en benen gaan zitten, zodat ze geen kant meer op kon en daarna is het helemaal uit de hand gelopen.’ Ik keek naar mijn schoenen. Zoiets deed je niet. Arme Tinker.

‘Haar ouders deden aangifte bij de politie,’ ging Wander verder, ‘maar die kon niets doen. De jongens die haar te pakken hebben genomen, ontkennen alles. Agenten die de zaak onderzochten, zeiden dat ze het aan zichzelf heeft te danken. Omdat ze een jongensgek is.’

Tinker was in het voorjaar bij ons in de buurt komen wonen. In korte tijd was ze erg veranderd. Ze was flink gegroeid en niet meer zo verlegen. In haar vlotte overgooier zag ze eruit als een meisje dat al op de middelbare school zat. Iedereen had een oogje op haar, ik ook. Ze was de mooiste van alle Indische meisjes. Sierlijk, exotisch, zoiets hadden de mensen in het dorp niet eerder gezien. Als Tinker over straat liep, keek iedereen. Alsof de koningin voorbijkwam.

Tinker had altijd een kring zesdeklassers om zich heen, die haar o zo graag wilden zoenen, maar de meeste jongens was ze te snel af. Voor Tinker was het niet meer dan een spel. Een of twee jongens mochten proberen Tinker een kus te geven, zonder haar vast te pakken of zelfs maar aan te raken. Tinker en Tinker alleen bepaalde zelf wie haar mocht kussen. Als ze het niet wilde, was Tinker als kwikzilver, ongrijpbaar.

Lang ging dit goed tot, na een onderbreking in de winter, het spel met de jongensharten in het voorjaar weer op gang was gekomen. Tegen de regels van het spel had een van de jongens haar vastgegrepen en tegen de grond gewerkt. Tinker had gehuild van de pijn en haar jurk was gescheurd, had Wander gehoord van zijn moeder. Ze had geschreeuwd dat de jongens moesten ophouden, maar het waren er zoveel, haar verzet was zinloos. Ze drukten haar armen en benen tegen de grond en daarna was ze overal bevoeld.

Het duurde dagen voordat Tinker zich weer op straat vertoonde, volgens Wander. Iedereen, iedereen kon zien dat er iets was gebeurd met het meisje met de sprankelende ogen, de onschuld in haar blik was verdwenen.

‘Het is hun manier om ons te onteren,’ zei Wander verontwaardigd.

‘Ze laten zien dat ze kunnen doen wat ze willen, dat we zelfs niet in staat zijn onze meisjes te beschermen. We moeten iets doen. Anders blijft het doorgaan.’

‘En wat dan wel?’ vroeg ik.

‘We gaan het doen als Westerling. We gaan die schoften eens goed bang maken en ze wat ontzag voor ons bijbrengen.’

‘Ze zijn anders wel ouder en groter dan wij.’

‘Maakt mij niet uit.’ Wanders toon werd ijzig. ‘Ik kan ze wel aan.’

Hij liep naar de schuur en beukte met zijn blote vuist een barst in het raam van de schuurdeur.

‘Stoer man!’ zei Lodi vol bewondering. ‘Als het erop aankomt, moeten we met meer zijn, of anders pakken we hun jonge broers wel … Ik heb een idee,’ zei hij op hoge toon. ‘Mijn grote broer is al drie keer naar dezelfde film geweest. Die draait nu al een jaar in de bioscoop. Het gaat over jeugdbendes in Amerika. Zoals die vechten!

De West Side Story, zo heet die film.’

‘Jeugdbende. Ook goed,’ zei Wander afwezig. ‘We beginnen een jeugdbende. Er moet een einde komen aan het getreiter. Een bende moet natuurlijk wel een hoofdman hebben.’ Zijn stem klonk vastbesloten. ‘En dat ben ik, want ik durf het meest.’ Niemand sprak hem tegen.

‘Je bent niet zomaar een bende,’ zei Lodi. ‘Je moet eerst bewijzen dat je een bende bent.’

‘Hoe dan?’ vroeg ik. Ik vertrouwde het voor geen cent.

‘Kom mee,’ zei Wander, ‘ik weet wel iets. We moeten een voorbeeld stellen. We holden achter hem aan en vroegen ons af wat hij van plan was. Als geoefende commando’s stoven we door de achterpaden van de wijk. Ongezien staken we straten over naar de volgende gang aan de overkant. Zo ging het door, tot Wander stilhield bij een onbekende achtertuin. Woonde hier soms een van de jongens die Tinker had lastiggevallen? Het poortje stond open. Wander stapte de achtertuin binnen en liep door naar de keukendeur, maar die was op slot. Zo te zien waren de bewoners niet thuis. Wander knielde en kerfde met zijn zakmes met koeienletters VIEZE VUILAK in het hout van de keukendeur.

Daarna keerde hij terug naar het stenen schuurtje halverwege de tuin. Hij tuurde met zijn gezicht tegen het raam van de schuurdeur naar binnen, trok de mouw van zijn jack over de knokkels van zijn rechtervuist en ramde daarmee de ruit aan diggelen. Het glas lag versplinterd op de grond. Bij de buren blafte een hond.

Ik was teruggegaan naar het tuinpoortje. Dit is fout, dacht ik, wij mogen hier niet komen. Straks komt de politie, dan nemen ze ons mee en worden we opgesloten in het spinnenhok achter het politiebureau.

Ik had er wat van kunnen zeggen, maar ik deed het niet, net zomin als de andere jongens, die net als ik, ademloos toekeken hoe Wander door het kapotte raam naar binnen klom. Even later kwam hij naar buiten met een tuinkabouter van aardewerk, die hij onder zijn trui meedroeg, terwijl we in optocht naar het bos aan de rand van het dorp liepen, waar we altijd soldaatje speelden.

We kwamen voorbij de katholieke school van Wander. Zoals iedere woensdagmiddag was er een grote inzamelactie aan de gang. Kinderen van de school hadden overal in de wijk oud papier opgehaald en naar het schoolplein gebracht. Wander, die vooropliep, draaide zijn gezicht naar ons toe: ‘De kapelaan is weer bezig met zijn knapen. Het geld dat ze binnenhalen, is voor een nieuw kazuifel van meneer pastoor. Mij niet gezien.’ Een man in een zwarte soutane had een weeghaak bij zich en schatte daarmee het gewicht van de keurig samengebonden bundels papier. Verstoord keek hij naar het passerende tuig, dat duidelijk niet van plan was mee te doen aan de inzamelactie. ‘Jongens, daar heb je de kapelaan,’ zei Wander, zo luid dat de kapelaan het kon horen, ‘allemaal armen over elkaar.’ Hij richtte zijn blik devoot naar de hemel en met zijn armen over zijn buik viel het niet op dat hij de kabouter onder zijn trui verborgen hield.

Onderweg haalde Wander een schep uit de schuur van zijn ouders en begroef daarmee de buit in het bos naast het graf van zijn hond. ‘Zo, voortaan zijn we een bende,’ zei hij plechtig, ‘Geng Andjing Hitam, dat is Maleis voor de Bende van de Zwarte Hond.’

Vanaf dat moment verspreidde zich overal in het dorp het gerucht dat de bende van Wander tot alles in staat was. Zelfs in je eigen huis was je niet veilig als Wander en zijn bende je moest hebben, dat had hij met de vernielingen bij zijn inbraak wel bewezen. De harde kern van de bende bestond uit Indische jongens, maar Wander pakte het slim aan, ook Brabantse jongens die aan onze kant stonden, mochten meedoen, zoals Peter mijn oude buurjongen, en zo heersten we binnen korte tijd niet alleen over onze wijk, maar over het hele dorp.

De schrik zat er goed in bij de jongens uit het oude dorp, en er was er niet een die ons ook maar een haar durfde te krenken of ons zelfs op veilige afstand durfde uit te schelden, want hij kon rekenen op een strafexpeditie, dan trok de bende eropuit met knuppels en speren. Als Wander er een van de dorpsjongens uitpikte voor verhoor, volgde al snel de beschuldiging ‘je liegt, ik hoor het aan je stem’. Nou, dan zag je de jongen ineenkrimpen en smeken om genade. Net als je dacht, nou komt het, wenkte Wander met zijn hoofd dat de jongen kon gaan. Die maakte dat hij wegkwam.

Harry Smith

Dit verhaal verscheen in de bundel Verhalen & Gedichten uit Het Schrijflab 2020, te bestellen bij Uitgeverij Shinz, prijs € 12,50 : http://www.shinz.nl/bestellen