Verhalen uit Het Schrijflab | Het Schrijflab

DINER VOOR TWEE

Haastig steekt ze de smalle straat over. Gelukkig woont hij niet ver bij haar vandaan. Tien minuutjes lopen schat ze, als je binnendoor over het zandpad gaat, langs de in aanbouw zijnde huizen. Maar vanavond kiest ze daar niet voor, ze neemt de verharde weg, daar voelt ze zich veiliger. Bovendien is ze doodmoe en hier loopt het makkelijker. Au, een steek in haar zij. ‘Rustig lopen,’ spreekt ze zichzelf bemoedigend toe. Twee joggers komen voorbij. Jonge vrouwen, hun slanke lijven in sportieve kleding. Ze merkt nu pas dat haar voeten in de pantoffels koud en modderig zijn.

De avond is donker; de maan verstopt zich achter de wolken alsof hij weigert mee te werken aan deze idiote onderneming. Maar Trudie kan niet anders, ze heeft hem wel vijf keer gebeld, hij neemt zijn telefoon niet op en ze móét weten hoe het met hem gaat...

Haar Johan, haar enige zoon, die ze zo ontzettend mist sinds hij met Marieke is gaan wonen. En dat missen is wederzijds, dat weet ze zeker, dat heeft hij haar van de week nog eens heel duidelijk laten weten. Ze slaat de weg in naar de nieuwbouwwijk, die tot haar opluchting fel verlicht is door de moderne straatlantarens. Er passeert een kleine vrachtwagen. Ze leest: Uw boodschappen bezorgd tot in de keuken. Gewoon via ah.nl.

Ze moet er niet aan denken! Niet in haar keuken!

Het is koud, maar op haar rug en voorhoofd zitten druppels, terwijl haar keel droog is van inspanning. Daar is zijn huis. De gordijnen zijn dichtgeschoven. Ze kan niet zien of er licht aan is in de kamer. Met trillende vinger drukt Trudie op de bel. Een lang en schel geluid, klagend, smekend. Geen reactie. Alleen het jammerlijke geblaf van de hond door de brievenbus. Ze probeert het nog eens en nog eens. Telkens schrikt ze even van het schelle geluid. Haar nachtjapon, die ze onder haar winterjas draagt, plakt aan haar rug. Bij de buren gaat het gordijn voorzichtig opzij. Trudie rilt, ze herkent de spanning. Het niet weten, de wanhoop. En de paniek die daarop volgt. Dit heeft ze eerder meegemaakt.

Het was een herfstdag, vandaag precies twee jaar min een dag geleden. Een herfstdag zoals je je een herfstdag voorstelt: onstuimig weer, windkracht 8 of 9. Haar man was op zee, hij maakte deel uit van de vissersvloot die nog enkele dagen weg zou blijven. Trudie en haar zoon Johan genoten samen van hun lievelingsprogramma op de televisie. Een hapje en een drankje binnen handbereik. Daar zorgde Trudie altijd voor. Ze keken vaak samen als haar man op zee was. Ze hadden dezelfde favorieten. Vandaag was het Miljoenenjacht. Of was het Hart van Nederland geweest?

Tegen de avond was het weer omgeslagen. De wind was gaan liggen en een dichte mist kwam opzetten. Even voor middernacht deed de telefoon hen opschrikken. Aan de andere kant klonk de bekende stem van Dirk, de kustwacht.

‘We hebben niet zo’n goed nieuws voor je, Trudie. Het radiocontact met het schip waarop je man vaart, is verbroken. Vanwege de mist kunnen de reddingsschepen nu niet uitvaren; ze moeten afwachten tot het zicht beter wordt.’ Toen bleef het stil.

Trudie wist niet wat te zeggen. Haar hart ging tekeer in haar borstkas als een wild dier in een kooi.

‘Zodra we nieuws hebben, laten we dat onmiddellijk weten,’ hoorde ze nog. En: ‘We moeten afwachten, er is niets dat we nu kunnen doen.’

Trudie zweeg. Afwachten, dacht ze, er is niets dat ze kunnen doen... niets. De hele lange nacht had ze samen met Johan gewacht op nieuws. Ze had gerookt, de ene sigaret na de andere en Johan had met haar meegedaan. Het waren zijn eerste sigaretten geweest.

In de vroege ochtend kwam het bericht dat het schip was gezonken. Ze wilde het niet horen... ze kon het niet bevatten. Zes bemanningsleden, niemand meer over. Men sprak van een ramp. Terwijl de televisie tijdens het ochtendnieuws uitgebreid verslag deed van het drama, probeerden Trudie en Johan te ontbijten.

‘Je moet echt eten jongen... Het brood...’ Trudie kreeg geen hap door haar keel; de paniek had haar in zijn wurggreep.

Het leven ging verder. Trudie klampte zich vast aan haar zoon als een teek aan het been van een wandelaar, terwijl de jongen dapper probeerde het leven weer op te pakken.

Hij zocht zijn eigen weg, maar altijd hield hij daarbij rekening met zijn moeder. Toen hij met zijn vriendin Marieke ging samenwonen, kochten ze een huis in de nieuwbouwwijk bij Trudie om de hoek. Een paar keer per week ging hij bij zijn moeder langs. Zij klaagde dat ze hem zo miste en verweet hem dat hij niet vaker kwam.

‘Gewoon jij en ik’ zei ze dan, ‘net als vroeger.’

Hij vond het moeilijk haar zo te zien.

‘Ik mis jou ook mamma,’ had hij ten slotte gezegd. Om haar te

troosten. Het voelde raar. Als verraad aan Marieke...

Maar als zijn vriendin avonddienst had, at hij altijd bij zijn moeder.

Zijn moeder wist precies wat hij lekker vond. Wat Marieke kookte kende hij niet, dus dat lustte hij ook niet, dat snapte zijn moeder maar al te goed: sla waarvan de blaadjes de hele avond in je mond bleven rondzwerven. Buitenlands eten, waarvan je tong nog uren in de fik stond. Van die rauwe stinkvis en plakrijst.

Ondertussen ontging het hem niet dat het steeds slechter met

zijn moeder ging, ze haalde zich de raarste dingen in haar hoofd

en was afwisselend opgetogen en dan weer somber. Sinds hij haar had verteld over de kookkunst van Marieke, leek het alsof zij zich verantwoordelijk was gaan voelen, alsof zij als moeder ervoor moest zorgen dat hij goed te eten kreeg.

Of zijn vriendin eigenlijk wel kón koken, had zijn moeder gevraagd. Of dat ze zich daar misschien te goed voor voelde. Hij had niet veel gezegd; hij zat er stilletjes bij, maar zijn moeder kwam goed op gang: ‘Die meid heeft het té hoog in haar bol en jij bent er de dupe van. Jij werkt keihard, minimaal zes dagen in de week en je krijgt niet eens fatsoenlijk te eten.’ Ze was razend. Dus had ze de vorige week wortelstamp voor hem gemaakt en deze week boerenkoolstamp. En hij had gesmuld.

Vaak ook confronteerde zijn moeder hem met haar eenzaamheid, dan trof hij haar huilend aan en protesteerde ze als hij wegging. Hij probeerde niet mee te gaan in haar zwaarmoedige buien, probeerde positief te blijven en haar te steunen. Dan pakte hij haar hand in de zijne, haar hand met de onverzorgde nagels, en zocht naar woorden die haar konden troosten. Hij wilde alles doen om haar gerust te stellen. En dat wist zijn moeder...

Vandaag was het een speciale dag. Het was de sterfdag van haar man en Johan en Marieke kwamen bij haar eten. Trudie had hen voor deze speciale dag allebei uitgenodigd. Ze had andijviestamppot gemaakt. Niet met van die rauwe andijvie, nee, ze sneed de andijvie heel fijn en dan kookte ze hem mee met de aardappelen. Voor toe had ze custardpudding met bessensaus. Mooie rode bessensaus.

De bel. Door het matglas van de voordeur zag ze hen staan. Marieke schikte de knot in haar haar en legde daarna haar hand in Johans nek. Johan stond met gebogen rug, zijn handen in de zakken. Hij wipte van het ene been op het andere.

‘Aardig doen, Trudie, vooral tegen haar,’ sprak ze zichzelf streng toe en ze zwaaide de deur open.

‘Ha, gezellig!’ kirde Marieke, een en al vrolijkheid. Ze zoende Trudie op de wang en liep direct door naar de keuken. ‘Hmmm, dat ruikt goed zeg!’ Ach, arm kind, dacht Trudie.

Johan zei niet veel, hij zag er moe uit. De donkere kringen onder zijn ogen waren voor Trudie het zichtbare bewijs dat het de hoogste tijd was voor verandering. Nog even, wilde ze bijna zeggen maar ze hield zich net op tijd in. Ze moest haar opgetogenheid onderdrukken.

Rustig zette ze de pan met stamppot op tafel en liet iedereen zelf opscheppen. Ze aten in stilte. Alleen het geluid van de messen en vorken die op de borden krasten was hoorbaar. Het klonk als een slecht gestemd orkest. Het deed pijn aan haar oren. Haar zintuigen stonden op scherp en haar zenuwen waren tot het uiterste gespannen.

‘Soms is zwijgen beter,’ zei Trudie zachtjes tegen zichzelf. Ze deed haar best het te geloven. Ze hield Johan nauwlettend in de gaten. Buiten begon het zachtjes te regenen.

Tijd voor het toetje. In de keuken schepte ze de custard in de schaaltjes. Een mooi geel bedje voor de bloedrode saus. Op het aanrecht stonden twee glaasjes bessensaus. Een voor Johan en Trudie en een voor Marieke. Voorzichtig goot ze de glaasjes leeg over de custardpudding. Het zag er prachtig uit.

‘Op de toekomst,’ een glimlachje waagde zich om haar mond. Nu nog voor ieder een lepel.

Ze zette de schaaltjes een voor een op tafel. Marieke was enthousiast en begon meteen te eten.

‘O heerlijk, die bessensaus smaakt zó naar de zomer,’ smakte ze en keek Trudie dankbaar aan. Johan was stil.

‘Proef eens schat, je moeder is een geweldige kok,’ zei Marieke vleiend.

En tegen Trudie: ‘Johan is een slechte eter. Soms maak ik me zorgen.’ Ze streek liefdevol over de rug van haar vriend.

Johan raakte zijn toetje niet aan. Hij stond op, liep naar de achterdeur, kwam terug en ging weer zitten. Langzaam haalde hij zijn tabak uit zijn broekzak en draaide zorgvuldig een sigaret. Terwijl hij hem in slow motion opstak wisselde hij een indringende blik

met zijn moeder. Zijn minachting was zo voelbaar dat Trudie ervan sidderde. Daarna schoof hij zijn stoel naar achter en liep, zonder

iets te zeggen, de tuin in. Trudie zag dat hij een schop uit de schuur haalde en leek te twijfelen over een geschikte plek. Die plek hadden ze toch ook al afgesproken? Nu even doorzetten.

Intussen hielp Marieke in de keuken met het inruimen van de vaatwasser. Ze babbelde over haar werk en de vakantie die eraan kwam. Trudie zag hoe de handen van het meisje trilden en hoe er steeds meer druppeltjes op haar bovenlip verschenen.

Ze werd bleker en bleker en zei ten slotte: ‘Sorry, ik moet even gaan zitten.’

Ga je gang, dacht Trudie, het duurt nog een half uurtje en dan is Johan weer mijn jongen. Ze zette de vaatwasser op het intensieve wasprogramma.

Ze hadden gedaan wat gedaan moest worden. Er was geen woord gewisseld. Om negen uur vertrok Johan. Een uur later was zij naar bed gegaan, op een vreemde manier moe, eerder uitgeput, maar

ze had de slaap niet kunnen vatten. Ze kon haar gedachten niet stopzetten. Hoe zou het met Johan zijn, spookte het door haar hoofd. Ze moest het weten. Op de huistelefoon, die naast haar bed stond, toetste ze de één in. Daaronder zat zijn nummer. Er werd niet opgenomen. Ze probeerde het nog eens. Na de vijfde poging hield ze het niet langer uit. Ze stapte rillend in haar pantoffels en vergat daarbij haar sokken aan te trekken. Terwijl ze piekerde over wat

ze tegen hem zou gaan zeggen, trok ze in de hal haar jas over haar nachtjapon aan en sloeg ze haar wollen sjaal om. Ze voelde zich een vreemde in haar eigen huis toen ze door de achterdeur naar buiten sloop.

Moeizaam liep ze het lange tuinpad af. Haar pantoffels gleden

weg in de modder. Ze moest haar best doen om haar evenwicht te bewaren. In de tuin was het pikdonker net als in haar hoofd. De poort, die uitkwam op de steeg, stond op een kier. Links achterin, op een kleine afstand van het pad, zag ze de plek met de pas omgewoelde aarde. Een verse wond in een jonge, gave huid. Trudie huiverde en trok de sjaal wat steviger om haar hoofd.

Het was haar plan geweest, maar hij had ermee ingestemd. Samen hadden ze het besloten. Het was de beste oplossing voor hen allebei. Dit was wat ze konden doen.

Snel sloeg ze linksaf en liep in de richting van de nieuwbouwwijk

‘Het is niet ver, het is niet ver.’ Ze zei het hardop in een poging zichzelf gerust te stellen. Ze praatte wel vaker tegen zichzelf sinds haar man was overleden.

Ineengedoken als een schichtig dier liep ze dicht tegen de huizen aan. Met haar sjaal veegde ze de druppels van haar voorhoofd. Vanuit hier kon ze de fel verlichte straat naar de nieuwbouwwijk al zien. Hoe zou het met Johan zijn? Hoe zou het met hem zijn? Het klonk als het refrein van een verontrustend lied in haar vermoeide hoofd.

Madeleine Manche

Dit verhaal verscheen in de bundel Verhalen uit Het Schrijflab 2019, te bestellen bij Uitgeverij Shinz, prijs € 9,95 : http://www.shinz.nl/bestellen