Cursistenblog

Deze pagina staat open om te publiceren voor cursisten. Je kunt proza insturen, bijvoorbeeld een column, blog, verhalend stukje fictie / non-fictie of een gedicht.

Het Schrijflab verzorgt de redactie. Voor bijdragen is het maximum 1500 woorden (proza) en 30 regels (poëzie).

Op een gepubliceerde tekst(en) kan ieder reageren in het toegevoegde venster. In je reactie geef je bij voorkeur helder geformuleerde feedback op de inhoud, techniek en stijl. Of je drukt je waardering uit in een goed beargumenteerde vorm.

Ome Wolf en boze Roodkapje

Sneeuw dwarrelt langs de ruiten, sneeuw, dat komt Roodkapje goed van pas. Ze heeft zojuist in de stal het laatste restje hooi aan Tjeerd gevoerd, drie kruiwagens vol, en warmt nu haar handen boven de kachel. Precies een jaar geleden, de dag dat haar moeder verzoop, was het heel ander weer. Toen graasde Tjeerd al in de wei en plukte Roodkapje wilde narcissen voor op vaders graf – ach, had die nog maar geleefd, dan was dit alles niet gebeurd.

Van het venster dwaalt haar blik naar ome Wolf die in de oude schommelstoel ritmisch zit te dutten: krak krak knirp, krak krak knirp. Kraken de spijlen van de stoel of kraken de knokkels van ome Wolf? Roodkapje hoopt het laatste.

Ze is hem altijd ome Wolf blijven noemen, ook na hun eerste keer in de hooimijt: zjoep zjoep jouw (ze brandde), en na de tweede keer (ze vlamde) en de zoveelste keer (ze blééf gloeien) op haar krakkemikkig zolderbed, krak krak knirp, snel want moeder kon elk moment terugkomen van het melken, krk krk knrp, sneller, zo vuurde ze hem aan, kr kr krp.

Zelfs na dat vreselijke dorpsbal bleef hij ome Wolf voor haar: haar moeder had nog maar een week haar rouwhoofddoek afgelegd en meteen had ze de hele avond met ome Wolf gedanst. Quick quick slowverstrengelden hun lichamen zich, vlug vlug fast raasden alle dansparen terwijl Roodkapje muurbloemde, opbrandde, uitdoofde en wraak, wraak, wráák zwoer. En die nacht: het gekraak van het ouderlijk bed hield nooit meer op. Dus is ze hem altijd ome Wolf blijven noemen, ook al wilde haar moeder, toen ze opnieuw trouwde, dat Roodkapje hem pappa zou noemen.

Haar handen, die de koe vergiftigden en de oogst verbrandden, vel over been, grijpen in elkaar en ze strekt ze zodat de knokkels kraken: krik krik knirk.

Ze loopt naar de schommelstoel, stap voor stap voor stap wiegen haar heupen op het schommelstoelritme. Ze bemonstert de oude man, z’n vettige haren, de liefdevolle glimlach onder de snorhaartjes – pure misleiding! Zijn bleke huid met de grote moedervlekken – vlekken van moeder, vlekken van dat smerige schijtwijf! Roodkapje tandenknarst. Krak krak knirp.

Ze bukt. Rode neus met witte, uitstekende neushaartjes schiet onder haar ogen voorbij, schiet heen en weer en heen, zoef zoef zip en krak krak knirp, gelijk de inquisitieslinger boven de put van Edgar Allan Poe. Dit is de diabolische indruk die ze van hem wil hebben, dit heeft ze nodig. Alle woede die in haar is heeft ze nodig om hem vast te lassoën aan de stoel, dan naar de deur te schuiven en hem vervolgens als in een arrenslee door Tjeerd het paard, de enige die haar trouw is gebleven, naar het meertje te laten trekken.

Het meertje waar ze vorig jaar haar jankende en bagger schijtende moeder heenbracht, vastgebonden op de kruiwagen. Godzijdank hoeft ze dat bevlekte ding nu niet te gebruiken, god-zij-dank. Want al is ome Wolf net zo uitgehongerd als haar moeder toen was, ze was beslist veel lichter dan hij nu is, maar toch had het kruiwagenwiel het hardst gepiept van alles en iedereen, kriek kriek knierp, vooral toen ze haar het water inkieperde: krie-íék, plons.


Paul Braamberg

Schrijfworkshop Het personage in actie en reactie

16 april 2016.

De zonnigste gebeurtenis

De zonnigste gebeurtenis die ik jusqu’ à présent meemaakte vond plaats in de ochtendstond. Men zegt wel eens: die heeft goud in de mond. Welnu, mijn moeder bezat goud, een hele schat, 129 troy ounce om precies te zijn, maar niet in haar mond.

Dit was het geval: mijn ouders hadden bij vrienden zitten dineren, in hun leefkeuken. En daar, in die letterlijke leefkeuken, begonnen de weeën mijner moeder.

Ik moet zeggen, uren later, toen alles achter de rug was, was ik verbaasd dat een couveuse eruitzag als een afwasmachine, gelukkig stopten ze mij daar niet in, excusez moi, ik wist nog niet beter. Maar ik leer snel.

Na mijn eerste siësta in vrijheid neemt mijn moeder mij op. Het is zes uur dertig. Mij delicaat wiegend stommelt zij het kajuittrapje op. En ziedaar de ochtendstond waarmee ik mijn verhaal begon. Ziedaar de zonnestralen die het bruine zeil raken, het grootzeil van het skûtsje mijner ouderlijke vrienden, dat machteloos klappert in de ochtendbries omdat de schuit muurvast ligt op een glinsterende zandbank, een mosselige zonnebank. Ziedaar de oneindige côte d’or die voor mij ligt. En terwijl een zonziltig bouquet mijn neusje flambeert, schenk ik mijn moeder een royale glimlach, haar dankend voor deze eerste impressie mijner toekomst, alsmede voor de negen maanden dat zij haar goudschat heeft gekoesterd – naturellement, c’est moi.


Paul Braamberg

Schrijfworkshop Het personage binnenstebuiten

19 maart 2016

Dood aan de salamanders

Zoveel keuzes moet men tegenwoordig maken


Mevrouw Wilgenteen knippert met haar bijziende ogen. Het moet rond het middaguur zijn, want alleen dan piepen vier banen zonlicht door de raampjes van de Bisschopsmolen langs het grote eikenhouten rad tot op het wateroppervlak van de Jeker. Het liefst omzeilt ze deze helse, lichte plek maar onbedwingbaar is ze haar neus achternagegaan, daar kan ze niks aan doen, het is een oeroude drang die het geslacht Wilgenteen al lang voor de grote exodus in zich had.

Nu is mevrouw Wilgenteen teruggekeerd, als eerste telg na betoverovergrootmoeder Wilgentæn – jazeker, de teen uit hun familienaam werd vroeger als tæn gespeld, maar dat heeft mevrouw Wilgenteen altijd dikdoenerij gevonden. Goed, ze is met de tijd meegegaan en haar neus achterna, en ze heeft haar stam uit de diaspora teruggeleid naar de geboortegrond van Betoverovergrootma en nu wacht ze op de broodresten die de warme Bisschopsmolenbakker rond deze tijd in de Jeker kiepert. Tarwebrood en meergranen en boerenbruin en wat al niet, en speltvlaai en – god betere het – stukjes biobrownies.

God-o-god, wat zijn de tijden veranderd, zoveel keuzes moet je tegenwoordig maken, dat ging in de familiesagen wel anders: de ene dag rogge-, de andere dag speltbroodkruimels, dat was het enige dilemma voor Betoverovergrootma en de haren.

‘Biobroodnies,’ brabbelt mevrouw Wilgenteen, ‘god-o-god.’

‘Het zijn biobrownies, lékker,’ verbetert haar jonge, knappe achterneef. ‘Dat is Engels, dat weet u toch wel?’

Boven hen knarst een luik en het middagmanna verschijnt: kruimels en korsten, brokken en brokjes, en ook hun geuren, buitelen brooddronken door de zonnebanen. Mevrouw Wilgenteen pakt een groot stuk dat op haar hoofd is gevallen.

Neefs neusvleugels gaan op en neer. ‘Jammie, glacé-koek.’

‘God-o-god, glaazeekoe.’ Ze propt het in haar mond en schudt traag haar oude hoofd waardoor haar grijze snorharen ritmisch opflitsen in een der vier zonnebanen.

Neef probeert z’n lach te verbergen. Die ouwe taart is hem veel te sloom, en nu die snorharen, haar hormonen moeten erg in de war zijn. Hij slaat hard op het wateroppervlak en mevrouw Wilgenteen laat de koek van schrik uit haar mond vallen. Meteen duikt hij onder, met het geglaceerde brok, hij is de snelste zwemmer van de Jeker, zelfs hier in de duistere catacomben onder Maastricht haalt hij 23 seconden op de 100 meter, een nieuw beverrecord.



Honger


Het gebeurde jaren geleden, tijdens de Grote Overtocht uit de Tihange-diaspora, dat het volk de plek bereikte waar de Jeker verdwijnt in een groot gat in een nog veel grotere zwartstenen muur. Daarachter zouden de Beloofde Oevers liggen, het land van Berk en Stroming, maar het enige wat ze zagen was dat grote muurgat waarin de Jeker kolkend en zwart verdween, het gat in de nog veel grotere zwarte muur.

‘Wie durft?’ had Neef – eigenlijk was hij toen nog een Neefje – kwajongensachtig geroepen, maar niemand durfde. Neef maakte nog een handige schijnduik maar niemand trapte erin, niemand volgde hem.

De avond viel en men zag slechts hoe een enkele puistsalamander door het zwarte kolkwater werd meegezogen. Net goed!

En nu bivakkeren ze al drie oneindige maanden in het Stadspark. Overdag houden ze zich schuil in een rododendronbosje, kauwend op onverteerbare rododendronblaren, velen hebben diarree, en ’s nachts zijn er elke keer een paar minder die op speurtocht gaan, op jacht naar de ingang tot de Beloofde Oevers. Elke nacht wordt er wel iemand door het verkeer platgereden, elke vroege ochtend hangen de snorharen van mevrouw Wilgenteen een tikje lager als ze tussen de rododendronstammen de overlevenden telt.

Het enige spoor dat ze hebben gevonden is doodgelopen: verderop bewaakt een beer een grote kuil, mogelijk een geheime ingang, maar de beer is knettervals. Zelfs mevrouw Wilgenteen, die toch bij het Albertkanaal heeft bewezen in vele tongen te spreken, krijgt hem niet aan de praat.

‘Ik wil terug,’ piept kleine Els, een van de behendigste spoorzoeksters. ‘Terug naar de wilgen bij de kerncentrale.’

Mevrouw Wilgenteen buigt haar hoofd.

‘In Tihange spookte het,’ schreeuwt Neef met overslaande stem. ‘Daar gebruikten de tweebeenbevers ons als proefkonijnen.’

‘Konijnen, wat zijn dat?’

‘Een soort harige salamanders.’

‘Getver.’

‘Kan wel zijn,’ piept Elsje, ‘maar ik heb honger.’ Haar broer spuugt een rododendronblad uit waarop hij al minstens een uur heeft zitten kauwen. Een andere neef fluimt er nog eens goed overheen.

‘Het is de schuld van die gore salamanders,’ roept Neef, ‘die gaan wel het gat in, die houden de Beloofde Oevers voor zichzelf.

‘Dood aan de salamanders,’ roept iemand.

‘Dood, dood,’ dreunt het een tijdje tot men uitgeput zwijgt.

Niemand weet precies wie begon, maar uiteindelijk zit iedereen naar mevrouw Wilgenteen te staren. Ze lijkt onder haar snorharen bijna te bidden. Dan verheft ze zich.

‘Meisjes, luister. Weten jullie hoe Betoverovergrootma ons volk door deze stadsparkwoestijn leidde, op weg naar de vrijheid?’

Men kruipt tegen elkaar aan, in de verte krijst een claxon, de beer jammert, een enkeling laat een stinkende rododendronwind maar niemand giechelt, niemand is nog bang, men luistert in trance.


Paul van der Horst

Verhaal schrijven: de alwetende verteller

Bijna thuis

Het duurt even voordat Theo zich bewust wordt van de omgeving. Hij nam de trein en de bus van werk naar huis zoals elke dag. Zijn gedachten bleven op kantoor. Daar verandert de frisse herfstlucht op het laatste stukje naar huis ook niets aan.

Hij heeft de dossiers niet nodig om zich de vraagstukken die hem achtervolgen te herinneren. Vroeger leek alles veel duidelijker. Alsof de afbakening van het begrip ondraaglijk lijden was verankerd in de protocollen die hij zwart/wit toepaste.
Wat moet een arts in godsnaam met zo’n duo-aanvraag? Partners waarvan er een zwaar ziek is en de ander gelijk mee wil op de laatste reis. Hij kan zich die wens zo goed voorstellen. Zeker van mensen die het grootste deel van hun leven samen waren. Wie geeft wie het recht om zo’n verzoek af te wijzen of in te willigen? En welke arts wil bij de uitvoering betrokken zijn?
Het komt steeds vaker voor dat hij niet kan oordelen. Of het niet wil. De mensen en hun verhalen horen niet meer alleen bij zijn werk. Ze komen steeds dichterbij. Hij kan ze projecteren op familie, vrienden. Op zichzelf.
 
Vanaf de rotonde kan hij zien dat er licht brandt in de keuken. Bijna thuis. Maar zo wil hij niet naar binnen. Hij wijkt af van de route, loopt rechtdoor in plaats van af te slaan, richting het park. Eerst moet zijn hoofd leeg.
 
In het park kiest hij het pad langs de sloot. Het wordt nu snel donker en het lantaarnlicht geeft de boomstammen iets spookachtigs. De noesten worden ogen die hem opwachten en volgen zodra hij passeert. Hij smelt samen met de duisternis en kijkt vanaf veilige afstand naar de rij huizen. Sommige zijn nog donker, in afwachting. In andere brandt licht in woonkamers en keukens.
Aan de buitenkant kun je niet zien of er geluk woont. Of dat er iemand ziek is, pijn lijdt of het liefst voorgoed weg zou willen van dit alles.
In de verte hoort hij een trein over de brug dichterbij denderen. Hij leunt tegen een boom, steekt zijn handen diep in de zakken van zijn broek en wacht. Verlichte coupés razen aan hem voorbij. Mensen onderweg naar huis.
 
Het park is op dit vroege avonduur verlaten. Een rood knipperlichtje aan het begin van het pad trekt zijn aandacht. Het danst in zijn richting, staat even stil en komt hem dan weer tegemoet. Een hond, registreert hij vaag terwijl zijn gedachten het hier en nu al weer willen ontvluchten. Tot hij het beest en het donkere, lange silhouet ernaast meent te herkennen. Het licht van de lantaarn bij het basketbalveld geeft de bevestiging: Sjoerd. Met Banjer.
 
Theo drukt zijn schouderbladen samen en duwt zich zo af tegen de stam van de boom. Eenmaal op het wandelpad zwaait hij en hij fluit. Het rode lampje springt op en neer. De hond blaft terwijl zijn riem wordt losgemaakt. Dan vliegt het lampje naar Theo. Het kost moeite om te blijven staan na de duw van die twee poten, precies in zijn knieholtes. Nog een klap met zijn staart, toe maar. Hij bukt zich om het beest te aaien.
‘Hé. Ma dacht dat je je trein gemist had. Mocht ik alvast met de hond uit voor het eten. Zat ik net op te wachten.’
Theo trekt eerst de capuchon van Sjoerds hoofd. Hij haat het als hij zijn ogen niet kan zien. Net wat hij dacht: protest voor de vorm, gewoon voor het lekkere. Alsof het is afgesproken vinden hun handpalmen elkaar in de lucht. Ze zijn op dit moment ongeveer even lang, maar die knul schiet hem nog wel een stuk voorbij.
‘Hoezo? Zat je weer te gamen, jongen?’ Even pesten. Hij neemt de riem over en lijnt Banjer weer aan.
‘Wat vind jij daar nou van?’ Zijn zoon wijst op het knipperende lampje aan de halsband . ‘Ma’s nieuwste goede idee. Bizar!’
Goddank. Dat je ook nog kunt nadenken over zoiets volslagen onbenulligs.
 ‘Tja,’ Meer weet hij er niet over te zeggen. ‘Kom, we gaan. Wat eten we eigenlijk?’
 
 
Juanita Stachowitz
Verhaal schrijven: de alwetende verteller

In gesprek

‘Heb jij het Boekenweekgeschenk al gelezen?’

‘Ja zeker, maar dat ze daarvoor weer een veelschrijver kiezen, verbaast me toch wel.’ Met toegeknepen ogen tegen de zon inkijkend, zit hij naast me op het terras aan het IJ van Amsterdam. De stad van ons hart. Het water wordt door de glasplaat van de tafel weerspiegeld en doet zijn hoge bruinbank voorhoofd glanzen.

De ober: een mediterrane jongen in felblauw overhemd en rode broek komt naar ons toe. Hij maakt een lichte buiging. ‘Voor ieder één cappuccino, alstublieft. Twee cappuccino’s.‘

‘Nee, twee cappuccini,’ zegt Joub. ‘Het meervoud van cappuccino is cappuccini.’

’Oh, twee cappuccini’s,’  zegt de ober nu.

‘Ook fout,’ zegt Joub vrolijk. ‘Maar dat geeft niet; dat krijgt u vast nog wel bij de  nascholing. Als wij maar ieder een cappuccino krijgen.’

‘Is het niet goed, dat ze een bekende schrijver hebben genomen?’ zeg ik.

Hij legt zijn benen – na eerst zijn broek zorgvuldig opgetrokken te hebben  - op de stoel tegenover hem. Op doceertoon: ‘De essentie van het verhaal – dat om een briljant bioloog en een mooie vrouw draait, gaat over onbereikbaarheid en pijn. Denk jij dat een jong iemand zoiets wil lezen? Die willen een avontuur! En ouderen hebben al zoveel pijn en onbereikbaarheid ervaren, dat ze daar helemaal geen zin meer in hebben. Een misser dus. Ze hadden een onbekende schrijver moeten nemen: jou bijvoorbeeld. Maar dan moet er nog wel het een en ander aan de stijl verbeterd worden.’ Uitdagend kijkt hij mij aan – door de zonnebril kan ik dat niet met zekerheid vaststellen - en leunt achterover. Dit gedoe bederft wel mijn stemming.

‘Zo is het en daarom laat ik Tommy Wieringa voorgaan.’

Het valt me op hoe kaal hij wordt. De kapper is flink bezig geweest.  Zijn nek houdt hij schuin. Het Armani hemdje spant om zijn welvaartsbuikje, waar hij zijn vlezige handen op laat rusten. Maar niet voor lang. Daar is de ober al.

‘Appeltaart kan er bij. Hebt u appeltaart er bij?’ ‘Met slagroom? ‘ ‘Ja met slagroom.’ ‘Moet kunnen,’ zegt Joub.

Uit het glimmende zwarte koffertje – zou hij dat ding soms poetsen? – komt een doosje sigaartjes. Een Senoritas  wordt opgestoken. Even later kringelt de rook via de appeltaart langs mijn neus richting IJ.

‘Je hebt er geen bezwaar tegen, als ik eet onder het roken?’ zeg ik.

‘Nee, ga gerust je gang.’

 ‘Laten we het dan maar over mijnheer Rutte hebben,‘ zegt hij. ‘Wist je dat hij  pianist had willen worden.?’ ‘Dat had hij zeker moeten doen. De werkeloosheid neemt toe. De zorg wordt afgebroken en de banken vallen om.’ ‘Daar hoeven we het dan ook niet over te hebben. Jij hebt een dikke baan, kan driemaal per jaar op vakantie en je kostuums zijn ook niet van C&A.’

Hij trommelt op tafel.

‘We kunnen onder het genot van koffie en gebak eens praten,’ probeer ik nog.

‘Praten, hou toch op! Er wordt  zoveel gepraat, maar weinig gecommuniceerd. Waarbij ik onder communiceren nog versta: zo dicht mogelijk langs elkaar heen praten. Tot een echt gesprek komt men zelden, nou dat was vroeger wel anders.’

Vroeger? Hij is net dertig. De mobiel. ‘Ja, met Joub; nee ik ben niet echt bezet, zeg het maar.’ Een apparaatje wordt uit het met zijde beklede koffertje gehaald en hardop  met hoge snelheid ingevuld. Na de rookslierten vliegen nu woorden als doorstarten, aftasten, pijnpunten en groeimodellen over de taart richting IJ. Tien minuten later pak ik mijn linnen tasje en zeg: ‘De ober hoeft nog maar één cappuccino te brengen.’


Alfred Drent, maart 2014

Prelude en Andante

Op winteravonden speel ik piano in het stille deel van ons huis, waar vroeger het paard van boer Groenen stond. Niemand hoort me. Ik wil alleen zijn met mijn melodieën. De vloer en de muren zijn koud. Met plastic heb ik een stuk van de ruimte afgeschermd waar net de piano en een kacheltje in passen. Zo is het toch nog knus. Op de piano staan foto’s van de kinderen en van onze ouders. Ik heb ze er neergezet omdat ik heb gemerkt dat emoties diepte in mijn spel brengen. Er zijn twee stukken die ik vaak speel. Eerst de vierde prelude van Chopin. ‘De droevigste muziek die ooit is geschreven,’ zei de grote Chopinpianist Cortot. Mijn blik gaat dan naar de foto van onze dode zoon Eric. De foto is gemaakt toen hij een jaar of drie was. Zijn donkere ogen kijken me angstig en droevig aan. Alsof hij wist wat er ging komen. In die jaren schoof hij op zijn billen over de grond om bij zijn broertje te komen en met hem te spelen. Lopen kon hij pas later.

Mijn vingers raken de betraande toetsen amper aan. De simpele melodie wiegt me weg naar de altijd weer terugkerende vraag naar de zin van zijn leven. En van mijn leven. Als ik het emotionele deel van de prelude speel, kaatsen de klagende klanken terug van de balken. Schrijnend en wanhopig. Dan een bizar akkoord. Verzet tegen het noodlot. Dan zachter, zachter. Berusting.                                               

Terwijl ik speel, kijk ik door het halfronde stalraampje naar de koude maan die langzaam door de winterse bomen schuift. De prelude duurt van de eiken tot de linde. Zo telt Luna mijn tijd. Ze is mijn verdrietvriendin. Ze weet dat want als het maar even kan, komt ze luisteren. Als er wolken zijn mis ik haar.                                                                                                         


Het andante uit de Mondscheinsonate van Beethoven speel ik voor de foto van mijn moeder. Dat beeld van een van de vrouwen die me maakten zoals ik nu ben, grijpt me steeds meer aan naarmate de jaren verstrijken na haar dood en mijn eigen dood nadert. Hoe komt het dat deze muziek altijd verdriet oproept? Is mijn herinnering zo sterk geprogrammeerd? Ma vond dit stuk mooi. Ze kwam naast me zitten en luisterde. Nooit zei ze iets. Soms huilde ze. Ik begreep dat toen niet. Nu wel. Ze bracht het soms niet op om het lange andante helemaal aan te horen. Ze stond dan op, legde haar hand even op mijn schouder en stapte langzaam weg. Ik speelde door. Ik hoor nog hoe de sombere, trage, donkere klanken, lager en lager, achter haar aan golfden. Ik dacht dat dat altijd zo zou blijven.                                                                                                                       .                                                                                                                               

Herinneringen aan Eric en mijn moeder komen uit mijn oude, kromme vingers die bijna een toets zijn weggebogen. Ze zullen het doodslied van Chopin en de wanhoop van Beethoven niet lang meer kunnen spelen. Even nog maken ze de doden weer levend, zijn ze weer bij me, terwijl vriendin Luna wijs glimlachend toekijkt. Ze zal blijven kijken, ook als ik muziek ben geworden uit de handen van mijn kinderen en kleinkinderen.



Ger de Wind, januari 2014

Mevrouw Troost

Met kleine passen loopt ze naar de bushalte. Haar tenen knellen in de pumps. De windvlaag rond haar kasjmier omslagdoek valt haar niet op, evenmin de regendruppels op haar groene hoedje. Mevrouw Troost is met haar gedachten bij de dagen dat ze - als secretaresse en op hoge hakken - naar de ambtswoning van de burgemeester liep. In al die jaren was ze niet één keer te laat gekomen op haar werk.   

         Mevrouw Troost gaat achter in de bus zitten. Voor haar zijn een man en een vrouw druk in gesprek. Twee paraplu’s op de zitting scheiden hen van elkaar. Mevrouw Troost kijkt naar het grijze haar en het gerimpelde gezicht van de vrouw. Het geeft haar de onrust die haar al maanden met vlagen teistert. Wil zij ook zo oud worden? Wat is er over vijf jaar nog van haar over?     

         Als de bus afremt voor de volgende busstop maakt noch de man noch de vrouw aanstalten de bus uit te stappen. Daarom doet Mevrouw Troost het. Ze loopt langs de zijkant van de bus naar de voorkant en sluit opnieuw aan achter de rij instappers. In de bus blijft ze in het middenpad staan. Met de rug tegen een stoelleuning gedrukt kijkt ze over de hoofden heen door de raampjes naar buiten. Haar heupen deinen in alle bochten mee, het tasje in haar hand bengelt tegen haar dij. Al heeft ze jaren niet meer gereisd, de rit naar haar geboortestad kent ze nog op haar duimpje.

         ‘Mevrouw,’ vraagt een medepassagier achter haar, ’bent u niet vergeten in te checken?’
         Mevrouw Troost draait zich naar de jonge man en zwijgt. Waar bemoeit hij zich mee? denkt ze. Hij kijkt met dezelfde nieuwsgierige blik als mijn buurman doet. Hoe de buurman heet kan ze maar niet onthouden. Tussen een zee van wolken breekt de zon door. Een zonnestraal verwarmt haar gezicht. Nog drie busstoppen en ze is in Roosendaal.

         Op het treinstation wijst een conducteur, hij had vriendelijk gevraagd of hij haar kon helpen, haar de weg naar het perron. De lege coupé geeft haar de rust die ze nodig heeft.    


         Zodra Mevrouw Troost vanochtend wakker werd -  haar gedachten waren nog niet vermengd met herinneringen en indrukken – wist ze wat ze vandaag ging doen. Opgelucht dat ze het niet vergeten was trakteerde ze zichzelf op een lavendelbad. De warmte van het water leek haar geest nog kwieker te maken.   

Een uur later zat ze aan een ontbijt met croissants, met naast haar bord een stapeltje foto’s en (het had haar de avond tevoren heel wat kreum gekost ) de uitgeprinte treinticket. Voordat ze de deur uitging verruilde ze nog vlug haar instappers voor haar dierbaarste schoenen. De pumps leken nog steeds van goud. Al kon Mevrouw Troost het nu niet meer - door een lichte artrose aan haar knie en de beginnende ziekte van Alzheimer - eens had ze er de Engelse wals mee gedanst. Het was op de dag van de inhuldiging van haar burgemeester.

         Toen Mevrouw Troost zes weken geleden de diagnose Alzheimer kreeg kwam dit niet onverwacht. Haar beginnende vergeetachtigheid, het niet meer goed op woorden en namen komen, herkende ze van de dementie bij haar man Sebastiaan. Hij was vorig jaar overleden in een verpleeghuis. Herkennen deed hij haar allang niet meer. Plichtgetrouw had ze Sebastiaan zes jaar lang elke dag bezocht.

          

         Link hinkend en op kousenvoeten. Met in de ene hand haar pumps en in de andere hand haar gevulde handtasje, komt Mevrouw Troost van de bushalte haar straat ingelopen.  

         Onder het licht van de straatlantaarn staat de buurman. Zonder te groeten steekt hij van wal. ‘Het is maar goed dat u vanmorgen de voordeur open hebt laten staan. U had de steelpan nog op het vuur staan. Uw brandmelder waarschuwde me op tijd. Was ik niet thuis geweest, dan had u geen woning meer gehad.’

         Gelaten, en door vreselijke pijn aan haar knie, laat Mevrouw Troost de stortvloed van woorden over zich heen komen. Waar bemoeit de buurman zich mee?


         De geur van een zwart geblakerd ei hangt in de kamer. De lucht deert Mevrouw Troost niet. Tot over haar voeten omhuld met haar omslagdoek, in het gedempte licht van haar leeslamp, zit ze in haar fauteuil met een vergeelde foto in haar hand. Met de verliefde blik van een jonge vrouw streelt ze met haar wijsvinger over de ambtsketting die hij draagt, cirkelt rond de bovenste knoopjes van zijn overhemd. Het overhemd is van het type dat hij op kantoor droeg en dat zij zo vaak van zijn borst had geknoopt. ‘Jake, ik ben naar Antwerpen geweest en heb allerlei pilletjes gekocht. Ik kom vannacht weer bij je.’   


Ria Knijnenburg

Schrijfworkshop Het Personage het Vertellen en de Plot

Naar de elektrische stoel

Hij loopt van zijn cel naar de zaal met de elektrische stoel. Hij die door de Kaninefaten ‘grote bevrijder’ wordt genoemd en door de Ollanders ‘gore terrorist’, hij loopt door de gevangenisgang naar de elektrische stoel en glimlacht onder z’n blinddoek. Hij ruikt het angstzweet van de Ollandse cipiers die doodsbang zijn voor een bevrijdingsactie door zijn kameraden en hij schudt glimlachend nee, nodeloze angst, hij weet een veel elegantere oplossing.

Hij herinnert zich hoe de elektriciteit naar Voorburg kwam, Voorburg, hartland der Kaninefaten, Voorburg, zijn geboorteplaats die van de Ollanders nu Den Haag moet heten, waar vroeger de gaslantarens langs de gracht en op het plein een voor een werden aangestoken, langzaam, een voor een, alsof god op z’n dooie gemakkie op z’n vierde werkdag de sterren aan het scheppen was: hier eentje, daar eentje, o en deze ook, en deze, zo was de god van Voorburg vroeger bezig.

Later werd zijn vader onderhoudsmonteur van de eerste Voorburgse elektriciteitscentrale en dan tilde die hem ’s avonds op het bedieningspaneel en omvatte hij de grote hendel met z’n knuistjes, klam en koud en heet tegelijk van de spanning, en dan keken ze naar buiten en alles was donker en dan voelde hij de enorme ivoorharde handen van z’n vader over de zijne schuiven en dan telden ze samen af, drie, twee, een, nú, en dan klapten ze de hoofdschakelaar om en buiten tikten de straatlampen aan alsof een razende gaslampaansteker bezig was in een supersnel afgedraaide Charlie Chaplinfilm.

Nog twee deuren door, één gang nog scheidt hem van de ruimte waar, sinds Voorburg van de Ollanders Den Haag moet heten, de stoel staat opgesteld, de ruimte die vroeger de bedieningskamer van de centrale was.


Paul van der Horst

Schrijfworkshop Het Personage, het Vertellen en de Plot

Hoofdverpleger Gresnigt et al

Hoofdverpleger Gresnigt ging tewerk op de kinderafdeling. ‘s Ochtends, bij de kaalgekuurde kotertjes, kon hij zich nog inhouden maar tijdens het middagspreekuur sloeg hij geregeld toe, dat wil zeggen, als zo’n jeremiërende bengel binnenkwam met z’n overbezorgde ouder, gingen eerst Gresnigts wenkbrauwen omhoog, en dat zag de behandelend arts, en die knikte dan kort naar Gresnigt, en even later, als de ouder al met ’t prozac-receptje in de hand was opgestaan en het etterbakje reeds in de deuropening stond, bij voorkeur met z’n plakvingertjes op ’t kozijn, dan knikte de behandelend arts ten tweede male, en dan sloeg Gresnigt toe, dat wil zeggen: dan sloeg de deur toe, zo hard als ie kon. En in de hal kwam die arme zuster Raemaekers dan achter haar balie vandaan en plakte hoofdschuddend een pleister of adviseerde de blauwe teen of vinger thuis in ijskoud water te dompelen.

Dat waren de doordeweekse gevallen maar Gresnigt had het liefst weekenddienst.

Gresnigt ging altijd rechtop, zelfs zittend leek hij te staan. Gresnigt was mager en boomlang en hij benadrukte dat door, als het ware, rechtop te bukken naar het grut. Nooit tilde hij er eentje op, al jankte het nog zo hard, al lag het bijna dood op een brancard, al voelde Gresnigt mededogen. Jazeker, dat gebeurde soms, maar ook in dat geval tilde hij het kind niet op, want als hij zich op zijn kenmerkende manier rechtop vooroverboog, vóélde het kind zich opgetild worden. Dat gevoel voldeed.

De simulantjes daarentegen, de pseudo-ADHDtjes met de hen chronisch verwaarlozende, en dus overbezorgde, ouders, die ervoeren Gresnigt niet als dik twee meter maar als twintig meter lang, en zij hoorden voortdurend z’n spekleren zolen op zich afkomen. Hopelijk zagen ook hun ouders hem torenhoog en verpletterde hen zijn sardonisch schoengeslis.

Vroeger roken ziekenhuizen naar jodium en naar lysol, dit om de allesdoordringende poep- en piesgeur te overschreeuwen. Vooral naar lysol stonken ze, wist Gresnigt. De huidige poliklinieken geuren naar betadine en allesreiniger, en die zijn allebei prettig geparfumeerd. Gresnigt hanteerde sloten muntreiniger en zeer kleine doses gelijkruikende middelen: de meeste zijner patiëntjes werden in de allesreiniger gedompeld, uit de grote flacon met het groene etiket, en slechts een enkel kind betaalde hij met een pepermuntje, zo’n wit schijfje waarvan het ingegraveerde geheimschrift op de tong gevoeld werd, maar alleen als zo’n kind hem eerder – zonder het zelf in de gaten te hebben – gelijke munt had geschonken.

Zoals gezegd, Gresnigt was lang, heel lang. Voor de een leek ie een heipaal, voor de ander een hark, voor sommigen een steunpilaar en voor velen een galg. Dit alles doet de vraag rijzen of Gresnigt wel bestaat. Bestaat de hoofdverpleegkundige? Is hij niet een luchtspiegeling van ’s mens, of in dit geval van ’s kinds eigen ziektebeeld, een fata morgana elkéner eigen eerlijkheid? Gresnigt zelf zou dit hartgrondig beamen.

Zo zien we dat de niet-bestaande Gresnigt wel degelijk bestaat: als steunpilaar dan wel als galg. En dat is de waarheid: hoewel geen enkel mens op een andere manier bestaat dan als dikke klont moleculen, wat ook maar een biologisch model is; niet-bestaat elk mens gelukkig veel concreter als spiegeling van andermans eigenbeeld. Want elk mens herschept elk ander levend wezen dat ie tegenkomt, mens of beest, als zijn beeld en gelijkenis.

Ach, waren alle verplegers maar Gresnigts, dan zou de eigen bijdrage subiet kunnen worden afgeschaft – neen, niet allemáál zulke steile Gresnigts: zuster Raemaekers, die mollige miniatuurmatrone, laat die vooral zuster Raemaekers blijven.

En daarom, toen ik zuster Raemaekers in het telefoonboek vond als Gresnigt-Raemaekers, was ik eerst verbaasd, teleurgesteld zelfs, maar eigenlijk was het logisch: zijn beeld, haar gelijkenis.

In summa, alleen Raemaekers wist dat Gresnigt zich zijn vader al te goed herinnerde, hoofdverpleger Gresnigt-senior, die absoluut niet tegen aanstellerij kon, en daarom had Gresnigt nooit gehoest, tot ie de bloedbrij niet meer kon binnenhouden.

Zijn moeder kwam hem elke week bezoeken in de tbc-kliniek in Driebergen, waar Gresnigt nooit een berg had gezien, laat staan drie bergen. Hij zag alleen de blauwe lucht en veel opflinkend zonlicht nadat ie ’s ochtends met bed en al de serre in was gereden, en soms een Amerikaanse bommenwerper want het was oorlog.

Zijn vader was nooit met z’n moeder meegekomen. Ze vertelde dat hij zich had aangemeld voor het oostfront, dat hij collaboreerde. Wat is dat, vroeg Gresnigt dan. Hij doet boete, zei z’n moeder. Dat snapte hij ook niet, toch wilde hij het elke keer horen want hij wist dat ze daarna een appeltje voor hem ging schillen. En dat deelde-n-ie dan met de Raemaekersspriet die in het bed naast hem lag.


Paul van der Horst

Schrijfworkshop Het Personage, het Vertellen en de Plot



Dit verhaaltje is het resultaat van een workshopoefening in concreet vertellen, en wel in zesvoud: schrijf een alinea bij elk van deze opdrachten:

- suggestieve beschrijving van een personage;

- roep stills op, visualiseer het personage in actie;

- gebruik de zintuigen: voelen, horen, ruiken en proeven;

- maak het personage levensecht door specifieke details in stijlfiguren als vergelijking, metafoor en overdrijving;

- gebruik contrast, contrast, contrast;

- roep herinneringsbeelden en –sensaties op.


Nadat de vorige versie van dit verhaal op de blog van Het Schrijflab was gezet, kreeg ik uit m’n schrijfgroep deze feedback:

- In de 1e alinea is de 2e zin heel lang. Maar omdat het een simpele chronologische opsomming betreft, in de vorm van [En toen …, en toen …, en toen …,] zou het m.i. juist heel kleuterig uitwerken als ik er telkens een nieuwe zin van zou maken: [En toen … En toen … En toen …]. Daarom heb ik de zin niet veranderd.

- Het einde van de 1e alinea: waarom had Gresnigt het liefst weekenddienst? Blijkbaar kent niet iedereen een polikliniek in weekendsfeer, daarom heb ik de reden erbij gezet.

- De 4e alinea vond ik nogal ronkend, maar tot m’n verbazing was het grootste probleem dat men ‘uit het Gresnigt-verhaal werd getild’ – waar komt die ik-verteller vandaan? - vroeg men. En waarom bestaat Gresnigt ineens niet meer, en in de alinea erna weer wel? Om dat alles op te lossen heb ik een nieuwe beginzin gemaakt: Wij van het verzekeraarsmonopolie onderzoeken waarom sommige poli’s veel goedkoper functioneren dan andere.

- Van de laatste alinea was niet duidelijk dat het over Gresnigts jeugd ging. Ik had die alinea blijkbaar te compact geschreven, blijkbaar was het noodzakelijk de tijdsprong expliciet te vermelden.


Op basis van deze feedback herschreef ik het verhaal, en nu heet het Gresnigt cs.


Hoofdverpleger Gresnigt cum suis


Namens het verzekeringsmonopolie heb ik het functioneren van Gresnigt onderzocht. Ik sprak met zijn collega’s en dit is het beeld:

Hoofdverpleger Gresnigt ging tewerk op de kinderafdeling. ‘s Ochtends, bij de kaalgekuurde kotertjes, kon hij zich nog inhouden, maar tijdens het middagspreekuur sloeg hij geregeld toe, dat wil zeggen, als zo’n jeremiërende bengel binnenkwam met z’n overbezorgde ouder, gingen eerst Gresnigts wenkbrauwen omhoog, en dat zag de behandelend arts, en die knikte dan kort naar Gresnigt, en even later, als de ouder al met ’t prozac-receptje in de hand was opgestaan en het etterbakje reeds in de deuropening stond, bij voorkeur met z’n plakvingertjes op ’t kozijn, dan knikte de behandelend arts ten tweede male, en dan sloeg Gresnigt toe, dat wil zeggen: dan sloeg de deur toe, zo hard als ie kon. En in de hal kwam die arme zuster Raemaekers dan achter haar balie vandaan en plakte hoofdschuddend een pleister of adviseerde de blauwe teen of vinger thuis in ijskoud water te dompelen.

Dat waren de doordeweekse gevallen maar Gresnigt had het liefst weekenddienst, want dan doken de slimmeriken op die huisarts en wachtlijst wilden omzeilen.


Gresnigt ging altijd rechtop, zelfs zittend leek hij te staan. Gresnigt was mager en boomlang en hij benadrukte dat door als het ware rechtop te bukken naar het grut. Nooit tilde hij er eentje op, al jankte het nog zo hard, al lag het bijna dood op een brancard, al voelde Gresnigt mededogen. Jazeker, dat gebeurde soms, maar ook in dat geval tilde hij het kind niet op, want als hij zich op zijn kenmerkende manier rechtop vooroverboog, vóélde het kind zich opgetild worden, en dat gevoel voldeed.

De simulantjes daarentegen, de pseudo-ADHD’ertjes met de hen chronisch verwaarlozende, en dus overbezorgde, ouders, die ervoeren Gresnigt niet als dik twee meter maar als twintig meter lang, en zij hoorden voortdurend z’n spekleren zolen op zich afkomen. Hopelijk zagen ook hun ouders hem torenhoog en verpletterde hen zijn sardonisch schoengeslis.


Vroeger roken ziekenhuizen naar jodium en naar lysol, dit om de allesdoordringende poep- en piesgeur te overschreeuwen. Vooral naar lysol stonken ze, wist Gresnigt. De moderne poliklinieken geuren naar betadine en allesreiniger, en die zijn allebei prettig geparfumeerd. Gresnigt hanteerde sloten muntreiniger en zeer kleine doses gelijkruikende middelen: de meeste zijner patiëntjes werden in de allesreiniger gedompeld, uit de grote flacon met het groene etiket, en slechts een enkel kind betaalde hij met een pepermuntje, zo’n wit schijfje waarvan het ingegraveerde geheimschrift op de tong gevoeld werd, maar alleen als zo’n kind hem eerder – zonder het zelf in de gaten te hebben – gelijke munt had geschonken.


Zoals gezegd, Gresnigt was lang, heel lang. Voor de een leek ie een heipaal, voor de ander een hark, voor sommigen een steunpilaar en voor velen een galg. Dit alles doet de vraag rijzen of Gresnigt wel bestaat. Bestaat de hoofdverpleegkundige? Is hij niet een luchtspiegeling van ’s mens, of in dit geval van ’s kinds eigen ziektebeeld, een fata morgana elkéner eigen eerlijkheid? Gresnigt zelf zou dit hartgrondig beamen.

Zo zien we dat de niet-bestaande Gresnigt wel degelijk bestaat: als steunpilaar dan wel als galg. En dat is de waarheid: hoewel geen enkel mens op een andere manier bestaat dan als dikke klont moleculen, wat ook maar een biologisch model is; niet-bestaat elk mens gelukkig veel concreter als spiegeling van andermans eigenbeeld. Want elk mens herschept elk ander levend wezen dat ie tegenkomt, mens of beest, als zijn beeld en gelijkenis.

Ach, waren alle verplegers maar Gresnigts, dan zou de eigen bijdrage subiet kunnen worden afgeschaft – neen, niet allemáál zulke steile Gresnigts: zuster Raemaekers, die mollige miniatuurmatrone, die lieve pleisterplakster, laat die vooral zuster Raemaekers blijven.

En daarom, toen ik zuster Raemaekers in het telefoonboek vond als Gresnigt-Raemaekers, was ik eerst verbaasd, teleurgesteld zelfs, maar eigenlijk was het logisch: zijn beeld, haar gelijkenis.


Wat is het geheim van uw overleden man, vroeg ik haar, hoe leren we alle verpleegkundigen zijn kostenbesparende houding?

Elk moment herinnerde hij zich zijn vader, begon ze en kwetterde een heel verhaal, in summa: zijn vader, hoofdverpleger Gresnigt-senior, kon absoluut niet tegen aanstellerij en daarom had de kleine Gresnigt nooit gehoest, tot ie de bloedbrij niet meer kon binnenhouden. Toen was hij dertien en zijn vader bukte voor hem, zwijgend, om de boel op te dweilen.

Daarna kwam zijn moeder hem elke week bezoeken in de tuberculosekliniek in Driebergen, waar Gresnigt nooit een berg had gezien, laat staan drie bergen. Hij zag alleen blauwe lucht, met soms een Amerikaanse jachtbommenwerper want het was oorlog, en veel opflinkend zonlicht nadat ie ’s ochtends met bed en al de serre in was gereden.

Zijn vader was nooit met z’n moeder meegekomen. Ze vertelde dat hij zich had aangemeld voor het oostfront, dat hij collaboreerde. Wat is dat, vroeg Gresnigt dan. Hij doet boete, legde z’n moeder uit. Dat snapte Gresnigt ook niet, toch wilde hij het elke keer horen want hij wist dat ze daarna een appeltje voor hem ging schillen. En dat deelde-n-ie dan met de Raemaekersspriet die in het bed naast hem lag.


Paul van der Horst

Schrijfworkshop Het Personage, het Vertellen en de Plot

Martin en de boeken

Sinds het besluit ons huis met zeven kamers en ruim vijfduizend boeken en andere dingen te verkopen, hebben we het druk. De manager van De Slegte regelde dat de boekenopkoper contact zou opnemen Binnen enkele dagen belde Martin (spreek uit Martain) van de Ville. Hij kon de volgende dag al komen. ’s Morgens om negen uur verscheen de witte auto met een groot rond blauw vlak met de naam Polare. Polare, een idiote naam vind ik voor de Selexyz- en De Slegte-winkels. Waarom niet gewoon De Boekenboer of Het Letterhuis?

Martin – een flamingrant - dat hoor ik meteen, stapt met een flinke tas digitale apparatuur binnen. Na een kop koffie met een stukje Hollandse cake, gaan we naar de zolder. We kijken naar de boekenkasten in de kamers en op de overloop. Een etage lager zijn  drie kamers met een paar honderd boeken. In de huiskamer staat een grote boekenkast met twaalf brede planken. Onder de marmeren plaat van de open haard staan enkele meters boeken. Dat zijn vooral kunstboeken.

‘Wel u kunt beginnen. Ik ga niet mee naar boven. U legt op de grote tafel en op het bed de boeken die u wilt meenemen. Hier is een tafelschel waarmee u mij kunt laten weten als de boeken zijn gesorteerd. Dan kunnen we overleggen.‘

Een uur later komt hij naar beneden. Het zweet op zijn voorhoofd en rug. Het is onder het dak meer dan dertig graden. ‘En wat vindt u ervan?’ zeg ik

‘Wel, het is te zeggen hè; er zijn goed verkoopbare boeken bij.’

Gelukkig denk ik, een paar duizend euro kunnen we goed gebruiken voor de verhuizing en inrichting van de te betrekken flat.

Op de tafel staan stapels boeken. Op het bed aan de linkerkant liggen er tientallen. 'Ik geef u een zetel, u legt de boeken die u niet wilt verkopen aan de rechterkant van het bed. Ik ga vast een etage lager beginnen.’

De gehavende boekenkast ziet er uit of er inbrekers in haast gevlucht zijn. In een droeve stemming streel ik enkele exemplaren. Belcampo: zijn kleinzoon Jasja Arian beschrijft de wandeltocht die hij maakte toen hij zeventien was met zijn oude grootvader van 85. Zijn verhaal vormde het idee voor de tocht van tien dagen met mijn kleinzoon David van vijftien. Ik was toen zeventig. Boudewijn Büch kan zo mee. Onbegrijpelijk dat deze pathologische leugenaar nooit ontmaskerd is. Jacob Cats kan mee; beneden staan nog andere werken  van hem. Zijn uitspraak ’Als met een kaers in ’t open veld, zo is het met de mens gesteld‘, vergeet ik toch niet.

Van Hugo Claus bewaar ik alleen Omtrent DeeDee. De pastoor die met zijn familie de dood van Moeder herdenkt, wordt betrokken in een chaotisch feest. De beschrijving waarin hij zijn neef Claude in de steek laat en de dood injaagt, zit als een tatoeage in mijn hersenen.

Flaubert: ‘Madame Bovary c'est moi’. Prachtig. Nog mooier was de opmerking van mijn vrouw: ‘Als die mevrouw zulke rare dingen blijft doen, hoef ik het niet verder te lezen.’

De hele plank Grunberg kan weg, op ‘De Asielzoeker’ na. Als de vrouw van Beck – de hoofdpersoon -  met de Algerijn Raffi gaat trouwen, maakt hij een slaapplaats onder de kapstok. Morbide toch? De rouw-en-ellende boeken van Hemmerechts, Enquist en Van der Heijden liggen gelukkig bij de af te voeren exemplaren. De Reve–boeken, met zijn literatuur, seks en dood – de rest is flauwekul, blijven hier. Voskuil met zijn Bureau – waarin al die ruzies met zijn vrouw Nicolien, zijn  tot mijn genoegen in een doos gezet.

Martin komt naar boven. ‘U hebt wel veel gelezen. Dat hebt u zeker van huis uit meegekregen.’

‘Mijn ouders hadden drie boeken. Door een opmerking van een pater:

Je leest toch niet te veel hé? dacht ik als die het verbiedt, moet het interessant zijn. Dát ga ik doen.’

‘Opvallend is dat er veel boeken van hedendaagse schrijvers staan. Het is goed te zien, dat u leraar Nederlandse Taal bent.’

‘En wat heb jij gestudeerd?‘ vraag ik zonder op zijn veronderstelling in te gaan.

‘Ik heb geschiedenis gestudeerd.’

‘Afgestudeerd ook ?’

‘Nee dat niet. Ik was een draaideur-student. Na een paar keer buizen, heb ik de studie opgegeven.’

‘Wat is het belangrijkste dat we van de geschiedenis leren?’

’Dat zou ik zo gauw niet weten.’

‘Ik zal het je zeggen: Wat we van de geschiedenis leren is, dat we niets van de geschiedenis leren.’

‘Ach, ik heb een pak relaties achter de rug en ben na bemiddeling van het Bureau van Arbeid in deze job gekomen. Vindt u het erg deze mooie koppelwoning te moeten verlaten en zoveel boeken weg te moeten doen?’                                                                                                           ‘Ja, dat is wel erg, maar er zit niets anders op. Je boekenkast is een afspiegeling van je interesses, de aanschafomstandigheden en herinneringen aan de gevers.’

‘Wat vindt uw vrouw ervan? Mag ik dat vragen?’

‘Dat mag je best vragen. Het is hier: Hersenschimmen met een vrouw in de hoofdrol.’

‘Oh.’ Martin staat op, geeft mij een hand en kijkt me aan. Zijn mobiel gaat. De ringtone herken ik: iets van Jacques Brel – die is  ook vaak gebuisd weet ik. ‘Moest ik het zeggen,’ antwoordt hij. Ik laat hem even alleen.

We gaan naar de eerste etage. Van de gedichtenbundels neemt hij niets mee, die zijn onverkoopbaar. Anton van Duinkerken valt op de grond, een krantenknipsel schuift de vloer op. Het is een velletje uit 1968 van Propria Cures, het studentenblad. ‘Hier ligt Anton in zijn kissie; het statiegeld kan naar de missie.’ Ik pak Bertus Aafjes: ‘Een soldaat sliep op zijn overjas en droomde lachend dat het vrede was …’ ik draag het voor terwijl Martin  meeleest.

 ‘U brandt een gat in mijn ziel. Dank u wel mijnheer Van Holland.’

‘Hebt u geen Céline? ‘

‘Die heb ik niet.’ Waarom vind ik dat een vreemde vraag?

De planken met biografieën worden behoorlijk uitgedund. Freud houd ik toch liever zelf. ‘Hij eiste om punkt zwölf Uhr ein gut bürgerlicher Tisch!’

De boeken over de techniek van het schrijven houd ik ook. Mijn talenten beperken zich tot: praten, lezen en schrijven. Opruimen en schoonmaken doe ik ook graag. De rest laat ik aan anderen over.

‘Ik tref ook helemaal geen politiek aan,’ gaat hij op aanklagende wijze verder.

‘Nee, ik heb dezelfde mening als Bolkenstein: Alles is politiek, maar politiek is niet alles.’ ‘Boeken over godsdienst zijn er ook weinig.’

‘Wil jij die wel meenemen?’

‘Nee, daar is helemaal geen belangstelling voor.’

‘Over Christus kan ik kort zijn: hij schreef nooit en … lachte nooit.’          

‘U hebt wel originele ideeën.’

‘Ik ben nu bezig met biografische aantekeningen met de titel “Alles gaat voorbij, maar niets gaat over”.’

‘Mooie titel inderdaad.’

‘Een heel mooie titel,’ ga ik verder, ‘is Basterd Suiker van Arjen Lubach. Die uitdrukking komt van een klein kind: “Pap ze noemen mij Bastaard. Waarom doen ze dat?” “Je bent zo zoet als suiker, vandaar…” Dank je, Arjen.’

In de logeerkamer pakt hij een flinke stapel filosofieboeken. Bij Descartes verschijnt meteen  Bob een student, die zei: ‘Ik denk, dus ik weet het ook niet.’ Ik gaf hem een kaart van Schopenhauer: ‘Het allerergste komt nog.’ Wat helaas uitgekomen is.

Met de boeken beneden is hij gauw klaar. Niks Rembrandt, Rubens, Jan Steen, of Monet.

Zelfs Michelangelo blijft staan – ik herinner me de beroemde anekdote. De beeldhouwer riep na weken tegen David: ’Zeg toch eens wat!’

Hij pakt wel Mondriaan, Modigliani, Margritte, Hockney , Escher en Franz Marc (die ik apart leg). De reis– en stedenboeken blijven onaangeroerd. Van de zeven planken met thrillers gaat een half plankje mee.

Het is nu een uur ‘s middags. Martin gaat inladen. Hij zweet enorm. Wij zetten en paar broodjes voor hem neer. ‘Wel, een goede interessante aankoop,’ zegt hij monter, terwijl hij zijn koffie drinkt. Niet gek, denk ik. Zal het twee- of drieduizend euro zijn, pingpongt het door mijn hoofd.

‘Ik  kan u voor deze vijfhonderd boeken zevenhonderdvijftig euro bieden. Dat zal u toch niet tegenvallen?’

‘Eh,eigenlijk wel.’

‘Nou,vooruit dan: achthonderd euro en dat is de uiterste prijs . Akkoord zo?‘

‘Akkoord,’ zeg ik langzaam.

‘Hier is mijn stylo; als u hier uw naamtekening zet, zorg ik dat u het geld binnen een paar dagen ontvangt. Nu ben ik rap naar de volgende klant en succes met uw verhuis.’

Wij gaan samen op de bank zitten en lopen dan naar boven.

’O,dat is boffen zeg,’ roept mijn vrouw , ‘alle boeken die van ons thuis waren, staan er nog.’

‘Ja, wij boffen wel,’ zeg ik en trek haar naar me toe.


Alfred Drenth, augustus 2013

Wolken

als luchtige bodes van beweging


dichten ze wagenwijd het hemelblauw

trekken voorbij in grillige stoeten

of uiten in donkergrijs

en met trommelend geweld

hun woede


ze spannen een laken

van vloeibaar dons

tussen hemel en aarde

met hun masker

van sluimerend onbehagen


op een hete zomerdag

zie ik ze verdampen

in de atmosfeer


wat een elegante manier

om gedag te zeggen


Annemieke Soethout

Nuenen

Boudewijn en de paus

Terwijl ik naar de tv kijk en de paus buona sera tegen me zegt, moet ik denken aan de paus uit mijn jeugd: de jaren vijftig. Toen de lucht nog schoon was en seks vies. De ranke Pius XII met zijn Soli Deo (het witte kapje dat hij alleen voor God afzette). Naast de radio stond zijn portret. Als hij op hoogtijdagen de zegen Urbi et Orbi uitsprak knielde mijn moeder en maakte een kruisteken.


We gingen naar de Cineac om de beelden uit Rome te bekijken: de paus met tiara in een draagstoel met daarachter grote pluimen. Hij werd door jonge mannen in rood damasten kleding hoog boven de mensen gehouden. Daarna stapte hij het Sint Pietersplein op. Hij tilde kinderen en dieren op en zegende ze. Pelgrims kusten zijn handen. Speciaal  zijn zangerige Duits–Italiaanse stem herinner ik me. Pace,Pace! ( Vrede, vrede). De koude oorlog woedde voort.                                                                

Na zijn audiënties – hij sprak acht talen  en wist álles - riepen de bezoekers Viva il Papa, Viva il Papa. Dat vond hij ook.

De meeste indruk maakte frater Emilius op mij, die vertelde dat de paus zeven scheerapparaten had – voor iedere dag een. Hij reisde ook per vliegtuig. Dan nam hij zijn portable schrijfmachine op schoot en bleek heel goed te kunnen typen. Jammer dat hij bijna nooit lachte. Maar zoals we uit de film De Naam van de Roos weten Christus lachte ook nooit. En ik, zal het maar verklappen: hij schreef ook nooit.                                                                                                                

Bij zijn sterfbed in 1958 – hij stierf aan vreselijke hikaanvallen - wilde hij Beethoven horen, ‘

Alle Menschen werden Brüder’, terwijl hij wist dat dat niet zo is. De wereld was in diepe rouw. Ik ging naar de drukkerij waar de kaartjes voor de geboorte van ons eerste kind klaar lagen. Nog op tijd kon ik aan zijn voornamen Eugenio  toevoegen.                                                                                                               

Het conclaaf koos de nieuwe oude paus van 77 jaar : Johannes XXIII. Met kranten en tijdschriften fietste ik in de novemberregen naar school. De foto’s  uit de kranten, de Katholieke Illustratie en Paris Match toonde ik mijn 4e klas van 42 lieve gezeglijke jongetjes. Ook zij waren opgetogen.

Na het speelkwartier kwam op maandag altijd de kapelaan godsdienstles geven. Daarvoor gebruikte hij de methode Met Brandend Hart. Dat deed hij nauwgezet. De tekeningen uit de  handleiding  nam hij op het bord over.

De kapelaan in lange zwarte toog kwam binnen. Ik tikte op de lessenaar en allen stonden op. ‘Viva il Papa !’ riep Boudewijn – een lief zwakbegaafd joch. Ik was reuze enthousiast. Die Boudewijn: wat goed! Hij zei het op het juiste moment en in het Italiaans.                                               

De kapelaan greep hem beet: ’D’r uit jij!‘  ‘O, nee meneer kapelaan, Boudewijn gaat er helemaal niet uit. Dit is heel knap van Boudewijn.  Als er iemand uitgaat, bent U dat.’ De klasdeur sloeg dicht. Enkele ogenblikken later kwam het hoofd der school – een oude man van 56 jaar. Hij trok Boudewijn aan zijn arm mee. Ik bevrijdde Boudewijn en liep met hem door de schoolgang. We huilden hevig: ‘Viva il Papa!’


Alfred Drenth, 24  maart 2013

Ik droomde, dat ik droomde

Ik droomde, dat ik droomde. En in die droom – die ik droomde dat ik droomde - zit ik in de tuin. De narcissen en krokussen ruiken heerlijk. Dat ruik ik best, ook al droom ik.

Achter de tuin is een pad. Daar loopt een dikke man in een grote ruim zittende jas.  Ik herken hem. Het is A.F.Th. van der Heijden. Wij hebben ook een Antonio, maar daar ga ik niet over schrijven. Door dat ongeval kantelde mijn leven. Het is erger dan je denkt en als je denkt is het nog erger. Dat doe ik dus niet.

Plaatsen waar onze Antonio vaak kwam, vermijd ik. Want daar zie ik hem steeds lopen. Ik ga naar binnen en zet koffie. Het valt me op dat me dat goed afgaat, terwijl ik toch droom. Ik dronk vaak koffie met hem; we praatten dan veel. Ik probeerde hem van de drank en de drugs af te houden. Als ik koffie ruik moet ik aan hem denken, maar dat doe ik nu even niet. In de tuinstoel drink ik de lekker geurende koffie en val weer in slaap.

Ik droomde dat ik droomde dat hij er nog is. Hij loopt naast me en ruikt naar alcohol en tabak. We gaan naar coffeeshop The White Horse. Hij haalt wiet en bier, ik neem een kopje thee met een Bounty. Nadat ik hem geld gegeven heb – hij vroeg steeds om geld - gaat hij naar zijn vrienden in een kraakpand.

Dat komt mooi uit, dan kan ik nog een tijdje verder dromen. In de boekhandel koop ik Het Meesterstuk van Anna Enquist. Ik zie de broodmagere schrijfster daar met haar dochter Margit. Het lijkt wel of ik droom, want Margit is in 2001 in Amsterdam door een vrachtwagen geschept. Ze kwam onder een voorwiel: morsdood dus. Daar ga ik nu niet verder over denken. Ik droom gewoon door. Dan gaat de bel. Ik word wakker en open de voordeur. Daar is niemand te zien. Dan heb ik toch gedroomd.


Alfred Drenth, februari 2013.

Arme rijke

Voordat jij rijk was

en ik arm


Voordat ik rijk was

en jij arm


Waren wij tezamen

tezamen maar alleen


Voordat onze wereld verdween

verdwenen wij samen

speelden wij samen

verloren wij de weg

in een groot donker bos


Voordat ik groot was

voordat jij klein werd

speelden we samen

in dat donkere bos


en werd ik groot

en jij werd klein


Sandra Leemans

Schrijfworkshop: Gedichten met Muziek Maken

Bibliotheek Dommeldal, Nuenen

vrieskou

schaatsen liggen te wachten

om te glijden over de vlakten

over dichtgevroren grachten


een meer, uitgestrekte ijzersporen

met rode gloed tot aan de horizon

ijzig koude oren


lopend knarst de sneeuw onder mijn voeten

de donkerte doet ogen pijnlijk turen


torens met lichten staan volop te glanzen

als blokken omhoog in de nacht

zachtjes sneeuwt het vlokken


zo koud alsof het snijdt

hartverscheurend zodat je niets

meer voelt en niets meer hoort


thuisgekomen kan ik het laken

in tweeën scheuren

dat nog buiten te drogen hing


Telle van Beek

Schrijfworkshop: Gedichten met Muziek Maken

Bibliotheek Dommeldal Nuenen

Na de Belgische opstand

Terwijl meester Bob  vertelt over de Belgische Opstand, denkt Agnes aan Belgische frieten. Met haar vader is ze een paar jaar geleden in Antwerpen geweest.


Ze begrijpt nog steeds niet dat hij opeens weg was. Haar moeder zegt telkens dat hij zeker dood is. Al het speuren heeft niets opgeleverd. Agnes haalt de foto van haar vader – die ze altijd in haar schooltas heeft – tevoorschijn en legt die half  onder haar geschiedenisboek. Haar arm buigt ze om het boek,zodat niemand kan zien dat ze naar de foto kijkt.

Als meester Bob haar kant uitkijkt, doet ze net alsof ze luistert. Instemmend knikt ze, snuit haar neus en schuift de foto onder haar boek.

De zon schijn door de ramen van het schoollokaal. Met haar vader zit ze in de zon op de Groenplaats. Hij duwt steeds een frietje in haar mond en streelt dan over haar gezicht. Hij ruikt zo apart, dat komt door de wasverzachter, weet ze nu. Ze schuift voorzichtig naar hem toe.

’Duw niet zo tegen me aan,stomme griet,’ sist Robin. Nee, die Robin moet ze niet. Hij ruikt ook helemaal niet lekker.

Meester Bob praat maar door.

Na de Belgische Opstand komt haar vader haar misschien wel ophalen. Wat zou dat heerlijk zijn.


Alfred Drenth

zout op mijn huid

Zout op mijn huid

zout op mijn gezicht

zout loopt in mijn mond.

Zout is de zee

mijn binnenzee

is zout, zout en bitter.


Sandra Leemans

Schrijfworkshop: Gedichten met Muziek Maken

Bibliotheek Dommeldal Nuenen

Dag van gisteren

Op een dag, in de week dat de eerste sneeuw viel, gebeurde het. Hoe het kon gebeuren, dat begreep ze nog steeds niet. Op weg naar het klooster van de Zusters, langs het natuurgebied, was ze afgeleid door de serene rust van de grazende Galloways.  De neuzen die de sneeuw wegduwden. De koeien hadden geen last van de snijdende wind, alsof het voor hen altijd zondag was.

Het bracht haar terug naar de late zondagmiddagen waarop zij Jan had geholpen bij het melken. Hij kon dan nog gaan biljarten na de hoogmis.
Bevangen door deze herinnering was ze verder gefietst, onder de stilte van de bomen. De lucht die langzaam één leek te worden met het grauwe landschap. Het morgenlicht, verscholen achter de wolken, weerkaatste grijs op de platgereden sneeuw. De ijslaag in de sloot.      
          
Met een ambulance is ze binnengebracht. Onderkoeld en met een hersenschudding. Dat vertelde de verpleegster vannacht. En nog geen half uur geleden kwam een man vragen stellen. Natuurlijk wist ze wat voor dag het was. Hoe lang ze al in het ziekenhuis lag? Wie onze koningin is? Ook had hij het over een dagje naar een andere afdeling. Voor geheugentestjes en puzzeltjes. Stond die rolstoel daarom naast haar bed? De verpleegsters konden nog meer vertellen. Slechte heup of niet, ze kon best nog lopen. Zou ze de weg beter hebben gekend, dan zou ze het liefst naar huis willen. Met de nieuwe pijnstillers die ze vannacht had ingenomen. Die werkten wel.
Ze herkende het heerlijke gevoel van de spuiten die ze vroeger had gekregen, nadat ze hier met spoed was opgenomen. Door hevig bloedverlies na een bevalling. ‘Ik was je bijna kwijt,’ vertelde Jan later. De buurt kwam zelfs bij elkaar om voor haar te bidden, bloed af te staan.  
Is Jan hier een paar jaar geleden ook niet opgenomen geweest omdat hij vergeetachtig werd? Hij had thuis het toilet niet meer kunnen vinden. Terwijl zij sliep plaste hij in een glas of in een of andere keukenhoek. Gelukkig nooit in bed. Dat Jan dement was verklaard leek voor de omgeving moeilijker te zijn dan voor Jan of voor haar.      

‘Hij weet het nog allemaal goed, maar is het meteen weer vergeten.’ Hoe vaak moest ze dát sindsdien zeggen? Als buren, zelfs familieleden, voor hem gingen staan, zich naar hem bogen om zijn blik te vangen, terwijl ze vroegen: ‘Weet je nog wie ik ben? Ken je me nog?’
Een arts in het verpleeghuis vroeg zelfs hoe zijn vrouw heette. En dat na zestig jaar bij elkaar. De twinkeling in de ogen die hij haar dan schonk, met de plagende toon in zijn antwoord: ‘Dat ik dat toch niet meer weet. Wat ben ik toch een klootzak.’

Ja, ze wist het nog als de dag van gisteren. Maar niet dat ze zondag in een sloot fietste. Dat vertelden de kinderen haar.


Ria Knijnenburg

Schrijfworkshop: De Taal van de Winter

vanuit de chaos

de aanval op het doek

dat zich aanbiedt

uitdaagt

tot de eerste vlek

die angst wekt


vormen

die vragend staren

en willig zijn

tot beeld

te verworden


als fantasieën

van een kind

dat monsters ziet

in voorbijtrekkende wolken

chaos die dwingt

het zijnde

te vergeten

en zijn wereld

herschept


dan ontsnapt

de phoenix aan zijn as

de chaos

vormt zich

en dient


Ger van de Ven

Schrijfworkshop: Gedichten Maken met Muziek

Bibliotheek Dommeldal Nuenen

Terug naar de natuur

Als we langs kassen zijn gereden, en langs nog meer kassen, en voorbij varkensstallen en een manege, zet ik de ruitenwissers aan. Nederland begint te huilen.

De parkeerplaats aan de bosrand is verlaten want verstandigere bezoekers hebben eerst de buienradar gecheckt. Het informatiepaneel met het nachtegaallogo wil graag kwijt dat dit pareltje natte natuur onlangs is heringericht. Met EU-subsidie. Reeds werd één exemplaar van de kleine ijsvogelvlinder aangetroffen en om deze soort te behouden wordt nu gericht bosbeheer uitgevoerd, zo is de vastberaden boodschap. Word daarom donateur.

Ik dénk er niet aan, geen cent naar dit soort landbouwkliekjes, hergebulldozerd en beheerd als een Hollands voortuintje en gepinpoint met informatiepanelen en nachtegaallogo’s, ideaal voor mountainbikes en geo-caching. Geen spatje natuur is dit. Nederland huilt.

Zeur niet, kom, jassen en paraplu’s en laarzen, dan gaat ’t  best. Er is geen hond op ’t pad door het broekbos, kathedraaldonker, en alles ruist en roffelt, tikt en tokkelt. Zonder regen laten de bomen zich beruizen door de wind, passief, maar nu kwebbelen ze mee, alsof zo’n windvlaag een filmster is die door de bomenmenigte flaneert: kwebbel kwebbel, tik tokkel.

En asfalt alweer, dus keren we om, terug naar de natuur, over het dijkje dat geen dijkje meer is maar natuur en Nederland huilt almaar harder want het broekbos is een piepklein postzegeltje, het is broekzaknatuur en brandnieuw bovendien: de kleiput naast het dijkje is vorig jaar ontveend, de populieren omgezaagd, maar niet om er klompen van te steken, en van de essen en elzen maakt men geen hekken en schalen en lepels meer, onafgezet zijn ze doorgeschoten. Vorig jaar heringericht is dit verse onbedorven natuur en dus, hoewel herfst, ruikt het nauwelijks naar schimmel en zien we slechts een enkele dooie boom, liggend of staand – liever dat laatste, dat levert veel meer beheersubsidie op.

De nachtegaal is al naar het zuiden vertrokken – als ie er überhaupt was – en ook de wielewaal hoor ik niet. Een vogelloos broekbos. Of toch: op kniehoogte een heel bescheiden fietfiet, ik hoor je wel maar zie je niet. Vast een huis-, tuin- en keukenfluiter want uit onze heg klinkt ie ook. Nou vooruit, een broekzanger is het. Fietfiet beneden in een struik, dan hogerop, ’t beestje spéélt met m’n blik, nog steeds zie ik ‘m niet.

Ik jou wel, dikke platlandische wandelklont. Deze vogelkers is mijn wereld, het heelal is mijn speelbal en zelf zit ik er onbeweeglijk middenin en laat ik ‘m alle kanten op stuiteren. Fietfiet, daar gaat ie: met m’n poten duw ik de wereld naar beneden zodat ik zonder zelf te bewegen op een toptak geraak. Net zo makkelijk stap ik daar vanaf zodat ’t universum – jij op je dijkje incluis – snel opstijgt (voel je het in je maag?) totdat ik ’t hele zwikkie op de onderste tak afstop. En ik sla m’n vleugels uit en kriskras zwieren takken als kathedralenpilaren langs me heen. En omdat jij via de wortels en de aarde en je dijkje en je pootjes daaraan vastzit, zwier jij mee. Fietfiet, moet je al kotsen? Hé platvloerling, je weet niet wat voor diepgang je mist. Ik wel. Daarom buitel ik en zing ik fietfiet want je ziet me lekker niet. Ik jou wel. En verdwijn nu maar snel uit mijn zicht want ik ga een bes begraven. Bessen zijn winterkapitaal. Doei.


Paul van der Horst

Schrijfworkshop: De Taal van de Herfst

De rat en de vos

*Vrij naar Toon Tellegen


‘Ach, het liefst zou ik lucht willen zijn,’ zegt de waterrat tegen de vos. Hij kijkt de vos aan. Die reageert niet. Die tuurt naar  het kippenhok aan de overkant van de weg.

’Luister je wel?’zegt de rat.

‘Ja, ik hoor je best,’ mompelt de vos.

‘Als lucht ben je onzichtbaar en overal.’

‘Dat is zo,’ zegt de vos.

‘Door water word je toch beperkt; zeker hier in het Dubbroek,’ gaat de rat verder.

‘Ook al waar,’ antwoordt de vos.

‘Dan hing ik nu boven woestijnen en zeeën, koepelde ik over bomen en bergen. Boven de wolken bij de zon moet het heel mooi zijn. Dan zou ik nu warm zijn en niet zo koud en nat als hier. En dan was ik blauw. Ik wil eigenlijk altijd al blauw zijn.’

‘Hm,’  zegt de vos met een gezicht van: man zeur niet zo.’Ik wil helemaal niet blauw zijn. Mij te opvallend. Ik ben heel tevreden met mijn donkere roodbruine vacht. Last van de kou heb ik ook niet, de vacht zit heerlijk warm. En waar ik echt veel plezier van heb, zijn mijn ogen en sterke tanden.’
‘In de nacht ben ik dan zwart. Ik lig als een groot donker laken over de wereld. Moet je je voorstellen. Dan kan ik zien wat de bevers, de kikkers en de veldmuizen in de greppels hier doen. De bunzing vertrouw ik ook niet helemaal. Ik zie hem steeds met een andere scharrel bij de rietpluimen aan die dode rivierarm daar. Ik vind het zelf gek, dat ik zo jaloers ben. Achter de brandnetels en de zuring heb ik zelf leuke ontmoetingen.’

‘Hoogst interessant,’ zegt de vos zuchtend, schuurt zijn rug tegen de driestammige berk en kijkt langs de rat heen naar het kippenhok bij de kassen. Langs de dijk ziet hij een haas springen. Hij heeft geen zin er achteraan te gaan. Hoewel hij met gemak zo hard kan rennen, dat hij hem kan pakken. Nee, het wordt een kippetje vanavond. Wellicht twee.
Het regenen houdt op, maar er steekt een flinke wind op. 'We kunnen een eindje gaan lopen,’ stelt de vos voor. ‘Je kunt me een dienst bewijzen en bij het kippenhok kijken of daar mensen in de buurt zijn.’
Ze steken de grindweg met gaten en poelen over en lopen richting kippenhok. Vlak voor het hok zegt de vos: ‘Ga, jij maar kijken. Ik moet even plassen.’
’En?’ vraagt de vos als de rat even later terug is.


‘Geen mens te bekennen,’ zegt de rat.

‘Mooi zo.’
‘Ik moet er vandoor,’ zegt de vos.

‘Zal ik met je meegaan?’ zegt de rat.

‘Wel, dat komt nu slecht uit.’ De vos spreekt langzaam. ‘Ik moet een zaakje regelen waarbij ik niemand kan gebruiken.’‘Jammer. Dan zie ik je binnenkort wel weer.’


Met een sprong verdwijnt de vos. De rat schuift het water in, waar hij onder het kroos gaat slapen.


Alfred Drenth

Schrijfworkshop: De Taal van de Herfst

Een huis vol beelden

Ze willen dat ik vertrek uit ons huis vol herinneringen. Maar wat weten zij van het geluk en het stille verdriet dat door het huis kronkelt?
Het huis dat mijn vader heeft gebouwd en waarin ook zijn vader nog heeft gewoond toen hij ziek werd. De plek waar ik je voor het eerst kuste: onverhoeds maar voorzichtig. Precies onder het schilderij in de donkere gang. De zitkamer met z’n lage plafond en de krakende stoel waarin jij graag zat. Vanaf het moment dat jouw ogen verslechterden, las ik je voor uit één van de vele boeken die jij tijdens je leven hebt verzameld. Ze liggen opgestapeld in de kleine kamer. Honderden boeken waar jij geen afstand van kon doen en ik evenmin. 
Daar zit ik graag. Ik lees je brieven en je warme stem echoot na, terwijl ik door de vertrekken dwaal. Een oude man alleen zeggen ze. Maar ik ben niet alleen. Ik kijk door het keukenraampje en zie mijn vader weer schoffelen. Onze zoon hangt om hem heen en mijn vader tilt hem lachend en met een zwier op zijn nek.

Het huis blijft koel, zelfs nu het buiten broeierig warm is. De zomer is een mooie tijd om te gaan, houden ze me voor. Hun ogen kennen nog geen verleden. Ze denken dat ieder dak beschutting biedt. Ik kan het ruisen van de bladeren bijna horen …
Nog even geduld mijn lief. Het volgende jaargetijde is in aantocht.


Monique Cunnen

Een brief

Toen ik vijfenveertig was, schreef ik een verhaal over een man die op zijn achttiende verjaardag een brief schreef aan de man die hij zou zijn als hij vijfenzeventig was.
Ik wist niet wat ik kon schrijven. De ene kende ik niet meer; de andere kende ik nog niet. Terugkijken kon ik wel.
Beelden van gebeurtenissen werden helder.
De oorlog en de bevrijding en daarna als verhongerd kind bij Tante Jantje in Groningen; de thuiskomst. De speelweide met vriendjes in het Amsterdamse Bos.
De bekrompen armoedige saaie jaren vijftig, die ze later knus noemden. Mijn eerste baan: een klas met 48 jongetjes. De dood van Kennedy.
Het trouwen, de kinderen; het ouder worden en de dood van mijn ouders.
De roerige jaren zeventig en de fatale gevolgen daarvan in de decennia er na.
De doodsmak van mijn zoon, die daardoor blijvend invalide is.
Het op drift raken van het onderwijs met de oeverloze discussies over herstructureringen. De werkontvluchtende kinderen die ze studenten gingen noemen. De student met het krullende zwarte haar, met wie ik omging en vele brieven schreef. Die er genoeg van kreeg en mij aan mijn (nood-)lot overliet. De verloedering van de samenleving met roofbouwachtige trekken.
Op foto’s van vroeger zie ik hem met hoornen donkere bril en zwart haar.
 Wie was hij? Wie is hij nu?


Alfred Drenth

* Eervolle vermelding Schrijversdag Utrecht 2009

© Het Schrijflab 2011 - 2018